dot Home - start
dot Historie
dot Emmen centrum
dot Wijken buurten straten
dot Buitendorpen
dot Cultuur

dot Gemeente archief
dot Verenigingen
dot Wie helpt?

dot English Deutsch Français Español dot
De historie van Emmen in woord en beeld

 

 

Logo Historisch Emmen

Historisch Emmen toevoegen aan uw favorieten

blauwe lijn
dot Laatst gewijzigd dot Gastenboek dot Over deze site dot Sitemap dot E-mail dot

Bestuur: Omhoog


De marke: Omhoog

In diverse straat - en gebouwnamen in Emmen komt het begrip "marke" voor. Zo is er de Boermarkeweg, de Marke, de Zuidermarke, de Oostermarke, de Boermarke, enz. Een marke was een georganiseerde (boeren)samenlevingsvorm die vanaf de 13e eeuw vorm kreeg. Encarta zegt daarover:

"Marke, oorspronkelijk grens betekenend, werd in de late middeleeuwen en daarna gebruikt ter aanduiding van het door de inwoners van een nederzetting gemeenschappelijk gebruikte deel van het areaal van de nederzetting, waarop door de heer gebruiksrechten waren toegestaan."

Linthorst Homan noemt in zijn boek "Geschiedenis van Drenthe" (p.72) de poging van de Bisschop van Utrecht (13e eeuw) om de hoforganisatie in te voeren en daardoor politiek en economisch meer vat op Drenthe te krijgen o.a. als één der oorzaken van het ontstaan der marken in Drenthe. De bevolking zou gereageerd hebben met het vormen van marken, om de woeste gronden in bezit te kunnen nemen, mogelijk onder leiding van edelen of pastoors en onder invloed van wat elders reeds was tot stand gekomen. Het feit, dat ook de kerk steeds in het bezit was van waardeel, houdt de mogelijkheid in, dat ook zij een rol heeft gespeeld bij het ontstaan der markegenootschappen. De stichting van de voornaamste kerken in Drenthe vond in dezelfde eeuwen plaats.

Tot de 13e eeuw had de schaarse bevolking weinig middelen om de door hen ontgonnen woeste gronden te bemesten. Ze ontgonnen niet meer grond dan ze konden bemesten. Dit bemesten geschiedde met mest geproduceerd door op de woeste gronden grazende schapen. Ook had men genoeg hout voor "huizen" bouw en brandstof. Toename van de bevolking bekende echter uitbreiding van bouwlanden. Het gevolg van uitbreiding der bouwlanden was een grotere mestbehoefte met als wedergevolg een grotere veestapel. Ook het houtverbruik nam toe.

De bevolking van een buurtschap begreep dat niet ieder op eigen wijze onbeperkt het aantal schapen en rundvee vermeerderde, plaggen ging steken of hout gebruiken. Het zou de gronden veranderen in zandverstuivingen. Men moest de ontgonnen (de es) en onontgonnen gronden op één of andere manier verdelen. Van de es kreeg een ieder een eigen deel en een stuk grond voor een huis. Dit noemde men de "gescheiden marke". De "ongescheiden marke" was voor gemeenschappelijk gebruik, zoals de groen- en madelanden voor het vee, het bos en hout voor gebouwen en gereedschappen, het veen voor de brandstof en de heide voor de schapen.

Uiteraard moest men met naburige dorpen tot overeenstemming komen tot hoeverre ieders buurschap de woeste gronden zou mogen gebruiken. Door deze overeenstemmingen ontstonden de markegrenzen en de marke.

De boeren van een buurschap stelden ook hun rechten en plichten vast. Zo ontstonden de zogenoemde waardelen. Men bepaalde ieders rechten op de gezamenlijke woeste gronden, door bepalingen aan dit waardeel of aandeel te verbinden. Bepalingen die o.a. inhielden hoeveel paarden, koeien, schapen men zou mogen houden, hoeveel plaggen men zou mogen steken en hoeveel hout men zou mogen gebruiken, "ende so na advenant", rekening houdende met de grootte van ieders waardeel. Men moest een maatstaf hebben tot hoever een gerechtigde gebruik kon maken van de ongescheiden gronden.

Deze regelingen zijn in de boerwillekeuren terug te vinden. Boerwillekeuren of markerechten zijn te beschouwen als verordeningen, die allerlei regelingen bevatten, betreffende de es, de buurschap en het gebruik van de markegronden. De bewaard gebleven markerechten zijn gepubliceerd in de Verslagen en Mededelingen van het Oud-Vaderlandse Recht, deel VI.

Uit praktische overwegingen verdeelde men de woeste gronden niet. Zonder verdeling kon men de schapen (en het vee) door één herder gezamenlijk laten hoeden. Ging men de gronden verdelen, dan zou iedere gerechtigde op zijn eigen gedeelte schapen moeten hoeden.

De hoeveelheid bouwland per boer varieerde tot 45 mud (12 ha). De meeste bedrijven hadden zo'n 30 mud (8 ha). Dit was nodig, om voor een vol erf (1 waardeel) te kunnen doorgaan. Men had echter al stemrecht, als men 1/4 waardeel bezat.

Ook de in de marke gelegen kerk bezat gewoonlijk een vol waardeel, opdat de pastoor, later predikant, met een volledige boerenbeslag in zijn onderhoud zou kunnen voorzien.

Waardelen hadden hadden in de diverse marken verschillende grootte want de grootte van een waardeel was afhankelijk van de oppervlakte van de markegronden en het aantal buren in de marke.

De marke van Emmen en Westenesch telde 24 waardelen, Noord en Zuidbarge 25 en Weerdinge 10 waardelen.

Als eigenaren hadden de buren vrije beschikking over de markegronden. Als samenlevingsvorm (de marke) hadden de buurtschappen een landsheer boven zich. Ondanks dat deze landsheer vaak ook erven in de buurtschap bezat, had hij slechts als medebuur of eigenerfde iets te zeggen.


Marke indeling: Omhoog

Kaart van marke indeling Zuidoost Drenthe
Marke indeling in Zuidoost Drenthe omstreeks het jaar 1840.

Klik hier voor vergrootte versie

Zuidoost Drenthe kende vroeger de marken Westenesch, Weerdinge en Noord en Zuidbarge.

Een marke samenleving bestond o.a. uit:

  • Eigenerfden: Dit waren de eigenaren van een boerderij met erf, landerijen en bezaten (een) waarde(e)l(en). Ze werden ook wel buren (boeren) of markegenoten genoemd. Ze erkenden elkaar als eigenaar.
  • Meijers: Zij waren pachters van de grond, die ze huurden van de eigenerfden. Ook traden zij wel op als zaakgelastigde van de eigenerfden. Veelal hadden meijers dezelfde rechten als eigenerfden. Hun verdiensten waren nauwkeurig geregeld.
  • Keuters: Dat waren feitelijk landarbeiders en bezaten geen waardeel. Zij hadden geen rechten in de marke. Het gebruik van de grond was hen slechts toegestaan bij wijze van gunst of tegen betaling.

Rechten in een marke konden niet afzonderlijk worden verkocht of weggeschonken. Vererving was alleen in rechte lijn toegestaan. Was dit niet mogelijk dan kwamen de rechten (lees grond en goederen) aan de buren toe. Overdracht van bijvoorbeeld onroerend goed deed men door een symbolische handeling, "de stocklegginge" ten overstaan van de schout of schulte en onder getuige van de volle buren. Een volle buur bezat tenminste 1/4 waardeel en waren nodig omdat de overdracht anders geen geldigheid had.

Een eigenerfde kon uit de buurtschap treden om grotere zelfstandigheid te verkrijgen of om van buurschaplasten verlost te zijn maar was wel aan allerlei regels gebonden. Eenmaal afgescheiden gronden van de marke, maakten er geen deel meer van uit, evenmin dat de nieuwe eigenaar een buur werd in de marke. Zulke afgescheiden gronden noemde men: "voorwerken" zoals kloostergoederen.

In 1625 mocht een eigenerfde uittreden indien hij drie volle waren bezat. In 1634 al bij twee volle waren (een waar was 4x 1/4 waardeel). Ook konden eigenerfden die gezamenlijk het vereiste aantal waren bezat uittreden. Toen later o.a. het erfrecht wijzigde ontstond er, mede door de vererving, veel privé bezit (waardelen) buiten de marke (in andere buurtschappen). Dergelijke scheidingen vonden steeds regelmatiger plaats. Op 6 juni 1840 kwam er een wet die bij verdeling van de marken tijdelijk vrijstelling van lasten toestond waardoor de verdeling in een sneller tempo plaats vond. In 1880 was er volgens het kadaster nog 115.000 ha markegrond, doch in 1886 reeds volgde de verdeling van laatste marken waarna ze werden opgeheven.

Een andere reden voor het opheffen der marken was omdat Drenthe ingevoegd werd in het bestuurlijke geheel van de Nederlandse staat. Er vond een totale omschakeling plaats: liberalisatie. Gevolgen:

  • De op zelfvoorziening gerichte productie uit de landbouwgronden moest wijken voor productie voor de vrije markt.
  • Het oude informele gezag van de buurtschappen moest plaats maken voor het formele gezag van een vreemde burgerlijke overheid.

Noaberplichten: Omhoog

Hoek Noordeind Weerdingerstraat in Emmen

Naoberplichten in Emmen

Hoe kunnen naoberplichten in beeld worden gebracht?
Boven: In het midden de in 1955 verplaatste schuur op de hoek
Noordeind en Weerdingerstraat.
Veertig mannen die in 1955 hulp verleenden een boerenschuur te verplaatsen. Een knap staaltje burenhulp. Rechtsachter is de oude boerderij van Robben te zien. Op de voorgrond politieagent Blaauw.

De economische en sociale structuur in een marke werd gekenmerkt door het collectief. Doordat dorpen lange tijd slechts uit enkele families bestonden waren de banden hecht. Mede door de geïsoleerde ligging van de dorpen was men ook uit noodzaak op elkaar aangewezen. Zo ontstond een sterke gemeenschap en wederzijds hulpbetoon. Vele diensten waren vrijwillig maar in feite ongeschreven wetten, die men heden ten dage nog de naoberplichten noemt.

De dorpen waren verdeeld in naoberschappen die gevormd waren door dicht bij elkaar wonende groepen. Elk gezin had zo'n 4 a 5 naobers aan beide zijden van het huis. Behoudens aan deze naobers had men ook naoberplichten aan het dorp als geheel. Dit noemde men "de boerwerken". Moest men bijdragen aan de boerwerken dan werd men door het blazen op de boerhoorn bijeengeroepen.

Vandaag de dag komt het nog veelvuldig voor dat men de bewoners in de zanddorpen niet kan begrijpen, zonder met respect rekening te houden met hun traditie. Dat geldt niet alleen voor stadsmensen maar ook voor de veenkoloniale collega die veelal door de moderne kapitalistische tijd een bedrijf kon opbouwen. Men spreekt dan ook nog vaak over zanddorpen en veendorpen, zandboeren en veenboeren.

Voorbeeld 1: Hulp bij een sterfgeval

Bij een sterfgeval moesten de naaste buren (de naobers) bericht zenden aan de overige buren, die op hun beurt de tijding moesten overbrengen aan familieleden, vrienden en bekenden. Uit elk der tien burenhuizen kwam er één buur om het lijk af te leggen. De eerste buren (altijd twee) moesten zorgen voor de aangifte op het gemeentehuis en moesten de klok luiden.

Gezamenlijk werd de doodskist gehaald. De gestorvene werd op een boerenwagen, waarop stro gelegd was, naar het kerkhof gebracht. De buurvrouwen (de naoberwieven) vervaardigden het doodskleed en zorgden voor het goede verloop van den begrafenismaaltijd, die na de begrafenis in het sterfhuis genuttigd werd.

Het overlijden van een dorpsgenoot werd aangekondigd door "den groevenneuger". De duur van den rouw hing af van den verwantschapsgraad. Bij gebrek aan middelen droegen de mannen dikwijls een zwarte band om de mouw of een zwarte kokarde aan het hoofddeksel. De vrouwen overdekten het oorijzer met een zwarte stof.

Voorbeeld 2: Uit spinnen gaan

Een typisch Drents gebruik, eveneens voortvloeiende uit het wederzijdse hulpbetoon, is het "uit spinnen gaan". Deze uitdrukking betekent tegenwoordig "op visite gaan". Het spinnen van vlas komt tegenwoordig niet meer voor.

Oorspronkelijk beduidde het bij iemand in of buiten het dorp het vlas te gaan spinnen. Daar de hoeveelheid vlas bij de boeren vaak zo groot was, dat ze zelf niet alles konden spinnen, werden de meisjes uit het dorp verzocht hierbij behulpzaam te zijn.

Wanneer meisjes van buiten het dorp kwamen, bleven deze dikwijls enige weken. Voor de meisjes was dit een feesttijd, doch voor de jongens van het dorp niet minder, daar deze tegen het einde van den avond omstreeks 8 uur, het tijdstip, waarop de Drentse boer naar bed ging, de meisjes kwamen halen.

Op de spinavonden werd meestal de grondslag gelegd voor een bruiloft. Ook werden trouwlustigen wel met elkaar in kennis gebracht door den "maaksman", die ook de taak had de bruiloft aan te kondigen. De met groen en strikken versierde maaksman of "wasschupsneuger", die gewapend was met een lange stok, ontving in elk huis, waar hij de bruiloft aankondigde, een glas jenever of brandewijn, waarvan op bodem een geldstuk lag.

De bruiloft werd met grote luister gevierd. Op de huwelijksdag kwamen bruidegom en genodigden in linnenwagens naar het huis van de bruid. Van dit huis waren vensters en deuren zorgvuldig gesloten. De "broedeischer" (broed = bruid) hield in naam van den bruidegom een toespraak tot de voor hem onzichtbare ouders van de bruid en nadat hij gevraagd had of hij hier aan het juiste adres was, werd de bovendeur van den "baander" (schuurdeur) geopend en de vraag bevestigend beantwoord door de op de deel verzamelde familieleden van de bruid. Alvorens de bruid veroverd kon worden, moest veel geveinsde tegenstand overwonnen worden. Na het bevestigende antwoord werd door den broedeischer en bruidegom op de gezondheid van de bruid gedronken en uit een zilveren schaal met beugel, waarin zich brandewijn bevond. De bruiloften konden vroeger verschillende dagen duren.


Dingspel: Omhoog

Van 1024 tot 1522 bestuurden Utrechtse bisschoppen Emmen. Deze bisschoppen stelden een drost aan die in Coevorden zetelde. Hij was uitvoerend bestuurder van Emmen en tevens voorzitter van een zelfstandig rechtscollege welke Drenthe vanaf de 14e eeuw tot 1791 kende. Dit rechtscollege wordt de Etstoel genoemd. De Etstoel bestond uit 24 etten die gekozen waren uit afgevaardigden uit de zes dingspelen.

Een dingspel was een rechtsgebied. Drenthe was verdeeld in zes dingspelen. De zes dingspelen en hun hoofdplaatsen waren: Noordenveld (Vries), Oostermoer (Anloo), Zuidenveld (Sleen), Diever (Diever), Beilen (Beilen) en Rolde (Rolde).

Om ette te kunnen worden moest men eigenerfde zijn. Elk dingspel leverde vier etten (24:6=4). Emmen lag in het dingspel Zuidenveld, een naam die heden ten dage nog steeds bestaat. Aan het hoofd van een dingspel stond de bannerschulte. (ook wel bander- of baanderschulte)

De Etstoel hield drie keer per jaar zitting, ook wel lotting genoemd, en duurde soms enkele dagen. De Etstoel behandelde rechtszaken in eerste aanleg, maar ook in hoger beroep en stelde algemene regels en verordeningen voor openbare orde vast. Aanvankelijk werden deze zittingen door de bisschop zelf gehouden, later door de drost of zijn vertegenwoordiger. Heden ten dage herleeft deze historische gebeurtenis jaarlijks op 19 augustus (de dag van Sint Magnus) nog steeds in Anloo waarbij de gehele bevolking zich in Middeleeuwse kledij hult, en in de oude historische kerk rechtspraken worden nagespeeld die daar ooit hebben plaatsgevonden.


Kerspel: Omhoog

Een dingspel bestond weer uit kerspelen. Het dingspel Zuidenveld omvatte negen kerspelen: Emmen, Odoorn, Roswinkel, Schoonebeek, Coevorden, Dalen, Oosterhesselen, Sleen en Zweeloo. (Noot: Roswinkel was in 1795 nog geen zelfstandig kerspel.)

Een kerspel (karspel, carspel of carspil) was de oorspronkelijke benaming voor kerkgemeente of parochie en werd omstreeks de 16de eeuw ook gebruikt voor wat later de ‘burgerlijke gemeente’ zou gaan heten. Na 1600 ging deze laatste betekenis in verschillende delen van de Republiek der Verenigde Nederlanden zelfs overheersen en werd de term dikwijls gebruikt naast de streekeigen uitdrukkingen als schultambt, buurschap of marke. Soms bestond een marke uit verschillende kerspelen, soms omvatte een kerspel verschillende buurschappen of marken. Het begrip kerspel kan slaan op het territoir of op de inwoners of leden van de ‘gemeente’, hetzij als collectiviteit, hetzij als rechtspersoon. De taakverdeling tussen het kerspel en de grote of kleinere eenheden of collectiviteiten is dikwijls weinig scherp; herhaaldelijk werden de functies van bijvoorbeeld kerspel en schultambt of kerspel en buurschap nauwelijks uiteengehouden, zoals de Drentse zegswijze ‘Volle buur in de marke is volle buur in de karke’ illustreert. Bij de vorming van de Nederlandse gemeenten door Napoleon in 1811 werd in vele provincies het kerspel als eenheid voor gemeente gebruikt, waarbij de (nieuwe) gemeente één of meer kerspelen omvatte.


De schulte: Omhoog

Een kerspel werd bestuurd door een schulte die tevens voor de openbare orde zorgde. Encarta zegt over een schulte:

"Schout of schult (middeleeuws Latijn: scultetus), van De Middeleeuwen tot ongeveer 1795 in de Nederlanden een ambtenaar in dienst van de vorsten, grote heren en abdijen. Zijn taak was vooral van gerechtelijke aard. Na uitspraak van gerecht zorgde hij voor de tenuitvoerlegging van het vonnis. Ook waren hem administratieve, politiële en financiële taken opgedragen, zoals toezicht op het onderhoud van wegen, waterlopen en dijken, handhaving van de orde, aanhouding van misdadigers, controle op drankhuizen, lichting van weerbare mannen, publicatie van plakkaten en ordonnanties."

Kort gezegd: een schulte was een soort burgemeester, politieagent, rechter en notaris in één. Emmen deelde van rond 1540 tot aan de instelling van de Bataafse Republiek (ongeveer 1791) de schulte met de kerspelen Odoorn en Roswinkel.

Gedurende het bisschoppelijk bestuur werd een schulte aangesteld door de bisschop. Toen Drenthe in 1522 onder Karel van Gelre kwam werden de schultes door hem benoemd. Na Karel van Gelre was het Karel V die de macht had. Hij stelde Schenck van Tautenberg aan als stadhouder over Groningen, Friesland en Drenthe. De aanstelling van schulte geschiedde toen door de stadhouder. Om schulte te worden moest men een rasechte Drent zijn. "Geen uitheemsche Man magh Schulte of Onderschulte in den Lande Drenthe wezen, ten ware hij zonderlinge, tot hetzelve Ampt ware gequalificeert; maar wordt verstaan dat steeds een Ingezeten, gelijk bequaam zijnde, voor een uitheemsche praeferentie zal genieten".

De rechtszittingen (ook wel rochten of rochthegen genoemd) vonden meestal 's morgens vroeg op de Brink plaats. "Nuchter en bij klimmende zon". De schout opende de zitting met de woorden: "Ik spanne de bank en heffe (hege) het regt". De schout werd bijgestaan door de bijzitters of keurnoten. Ook aan de keurnoten werden eisen gesteld. Ze moesten eigenerfde zijn, en "lofwaardige mannen zijn der zaken onpartijdig en onbesibt in dier wegen als van de Schulten is gezegt, konnende lezen en schrijven".


De schultes van Emmen: Omhoog

  • 1482-xxxx Rolff Hunsinghe.
  • 1498-xxxx Egbert ten Dijck (bron: Joosting 1910)

    Egbert ten Dijck werd in 1488 Egbert ten Dyke genoemd, in 1491 Egbert in den Spiker en Egbert in den Hoff. Mantingh schreef hierover dat deze naam verband hield met zijn woongelegenheid. Hij woonde (mogelijk) in de spijker maar in elk geval op het terrein van de Saalhof. Deze Saalhof was een omwald gebied en schulte Egbert woonde binnen de wal of dijk van de hof.

    Joosting beschrijft een akte van 5 april 1498: "Egbert ten Dijck, schulte van Emmen Odoren en Roswinckel, oorkondt dat de gemeene buren van Weerdinge op verzoek van Luitien Binders te Roswinckel verklaarden, dat L.B. "an de ostersijt het diep van de groote rijt ofte de steeck genoemt" heide- en weiderecht heeft als de genoemde buren "uitgeseght onse begravene en bevrede hoijlant en van de marckegraven ooster soverre weerdinger marke gaet" en in dit verband met de markescheiding tusschen Valte en Weerdinge d.d. 1476. Geschreven als boven (op den 5 April eenduisent vierhondert acht en tnegentig). Afschrift (17e eeuw) (Inv.No.168), op papier. Het oorspronkelijke stuk was geteekend (en zou bezegeld zijn) door den schulte."

  • 1516-xxxx Geerdt Stuue (bron: Joosting 1910).

    Geerdt Stuue werd in genoemd als mede ondertekenaar van een besluit van 25 september 1516 (regest 21 Joosting) als schulte van Emmen en Roswinkel. Het besluit was een scheidsrechterlijke uitspraak op St Michiels-avond 1516 in het geschil tussen de buren van Weerdinge en die van Roswinkel over de grens van hun marken. Afschrift (17e eeuw) (Inv.No.185), op papier. Het oorspronkelijke stuk moest bezegeld zijn door de scheidslieden.

    Noot: ook onder het tab schattingslijst uit 1450 komt de naam Stuve voor. De naam Stuve werd vroeger ook geschreven als Stuue. De huidige letters u en v werden destijds door elkaar gebruikt.

  • 1561-xxxx Johan van Selbach

    Schulte Johan van Selbach was een zoon uit het tweede huwelijk van de verdreven drost Johan van Selbach, die onder Karel van Gelre het drostambt over Drenthe had verkregen. Het eerste huwelijk was met Judith Schmulling (†±1540), waaruit drie kinderen voort kwamen: Judith, Maria en Henrick. Ongeveer acht jaar na het overlijden van Judith Schmulling huwde hij met Anna Schmulling, mogelijk een zus van Judith. Uit dit huwelijk kwamen twee kinderen voort: Catharina en Johan die later schulte van Emmen werd.

    Schulte Johan van Selbach wordt wel gezien als de eerste Drentse Van Selbach en is omschreven als "den Ehrbaren en Ehrentfrommen Johan van Selbach". Hij was schulte van Emmen, Odoorn en Roswinkel. Uit zijn huwelijk met "Griete" kwamen (mogelijk) drie kinderen voort: Henrick, Const en Luitjen.

    In de wijk Emmermeer is de Johan van Selbachstraat naar hem genoemd.

  • 15xx-15xx Henrick van Selbach, schulte.

    Henrick, de oudste zoon van Johan van Selbach, werd net als zijn vader schulte van Emmen. Verder was hij van 1596 tot 1618 ette voor het dingspel Zuidenveld en van 1600-1615 gedeputeerde van Drenthe. Hij was mogelijk gehuwd met Catarina Jansen. Uit dit huwelijk kwamen twee (mogelijk drie) kinderen voort: Johan en Caspar.
  • 15xx-15xx Const van Selbach, schulte.

    Const, de jongste zoon van Johan van Selbach, werd net als zijn vader en broer schulte van Emmen. Ook is hij schulte geweest van Sleen.

  • 1595-1599 Hans van Omme(re)n.

    Hij werd door Magnin in 1850 in de Lyst der Schulten van het Lantschap Drenthe, 1595 beschreven als " Helbardier van Zyn Genaede, schults van Emmen, Ooren ende Rosewinckel". (bron: NDVA 1902 p.153)

  • 1599-1625 Everhard van Gemen. (bron: NDVA 1902 p.153)

Na schulte Everhardt van Gemen was het 150 jaar lang de familie Emmen die van vader op zoon de functie van schulte vervulde. Het geslacht Emmen heette van oorsprong Mullinga.

De eerste generatie: Van de oudst bekende generatie Mullinga is alleen bekend dat het een zekere Evert was, die een zoon had met de naam Warner Evers Mullinga. Deze generatie heeft het ambt van schulte niet uitgeoefend.

De tweede generatie: Warner Evers Mullinga was een eigenerfde te Emmen. Hij was op 20 oktober 1596 mede ondertekenaar van een akte opgemaakt door de drost en 24 etten waardoor vast staat dat hij lid van de Etstoel namens het Dingspel Zuidenveld was. (Deze akte was een overeenkomst tot onderlinge waarborging van elkaar tegen alle mogelijke nadelen die voort zouden kunnen vloeien uit het feit dat zij hun ambtsbezigheden bleven uitoefenen, nadat zij uit hun ambt waren gezet als gevolg van de hoog opgelopen onenigheid met de generaliteit en de Stadhouder over de benoeming van de drost.)

Warner Evers werd ook vermeld bij de aanstelling van Reynold de Vos van Steenwijk tot drost op 30 oktober 1598.

In 1612 had Warner Evers 37 mud land in Emmen bezaaid (OSA 621). Een volle boerderij was 30 mud, gelijk aan 1 last koren.

In 1630 werd Warner Evers niet meer vermeld in het register van erven en huizen. (OSA ?)

Warner Evers kreeg drie nakomelingen:

  1. Rudolpf Warners.
  2. Everhard (Evert) Warners (1594-1654). Hij werd de volgende schulte van Emmen.
  3. Wolther Warners.

bron: Boezem, Bonder (p.89), Joosting (1910, R 55), Magnin, Meesters, NP 5, OSA 14.

  • 1625-1654 Everhard (Evert) Warners Mullinga

    Everhard (Evert) Warners Mullinga (+/-1594-1654) was één van de drie zonen van Warner Evers.

    Hij veranderde, volgens het handschrift Sibinga, de familienaam Mullinga in de familienaam Emmen. Everhard (Evert) Warners Mullinga zal verder worden vermeld als Evert Warners Emmen.

    Evert Warners Emmen huwde op 3 oktober 1614 te Borger met Margaretha Lepels (1592-1652). Uit dit huwelijk kwamen 13 kinderen voort:

    1. Warner Emmen (1615-1629).
    2. Margaretha Emmen (1617-1672).
    3. Elisabeth Emmen (1620-1692).
    4. Sara Emmen (1622-1656).
    5. Rebecka Emmen (1624-1629).
    6. Hemma Emmen (1625-1703).
    7. Maria Emmen (1627-1671).
    8. Warner Emmen (1629-1670). Hij volgde zijn vader op als schulte.
    9. Coenraad Emmen (?-?).
    10. Susanna Emmen (1634-1635).
    11. Susanna Emmen (1636-1685).
    12. Jan Emmen (1637-1667).
    13. Abigaël Emmen (1638-1648).

    bron: Belonjé (p.165), Buiskool (1980, p.110), Ebbens, Garming, Kijmmell (1902), Meesters (1973, p.18 p.225-226; 1978, p.151-152), OSA 841, OSA 845.

    Evert Warners Emmen was in 1616, ongeveer 22 jaar oud, schatbeurder van Emmen. Dit was een belangrijke functie want een schatbeurder was voor het kerspel de ontvanger der belastingen.

    Twee jaar later, nog voor het jaar 1618, was hij ook Landdagcomparant. Noot: een landdagcomparant was een bestuurder van een kerspel die hieruit gekozen was om in de Staten van Drenthe zitting te nemen.

    In 1625 werd hij door de koning van Spanje (Philip IV) aangesteld als schulte van Emmen, Odoren en Roswinkel. Volgens de overlevering gebeurde dit op voordracht van zijn broer Rudolpf die een Spaanse heer van een ziekte had genezen.

  • 1654-1668 Warnerus (Warner) Emmen

Het geslacht Emmen vervulde 150 jaar lang, van vader op zoon, de functie van schulte in Emmen. Eén van deze schultes was: Warnerus (Warner) Emmen.

Warnerus Emmen was schulte van 1654 tot 1668. Hij nam op 23 mei 1654 de taak van schulte van Emmen, Odoorn en Roswinkel op zich.

Op 17 september 1648 werd hij ingeschreven als student filosofie aan de universiteit van Groningen. Hij bleek in zijn studententijd één van de ergste oproerkraaiers te zijn tijdens conflicten in 1652 tussen de senaat van de academie in Groningen en de studentenorganisatie.

Warnerus Emmen huwde met Christina Sibilla Wijsmans (Weismans). Uit dit huwelijk kwam één zoon voort:

  • Everhardus Emmen

Bronnen: B.Emmens 2004 en 2005. In 2007 eveneens gepubliceerd in het Drents Genealogisch Jaarboek.

Bos (p.99), Buiskool (1980, p.110), Dijck, HGG (p.58), Jonkbloet (p.35 e.v.), Kijmmell (1902), Kijmmell 1897/1902), Mulder (1965)

  • 1668-1685 Everhardus Emmen

Het geslacht Emmen vervulde 150 jaar lang, van vader op zoon, de functie van schulte in Emmen. Eén van deze schultes was: Everhardus Emmen.

Everhardus Emmen was schulte van 1668 tot 1685. Hij nam op 6 april 1668 de taak van schulte schulte van Emmen, Odoorn en Roswinkel op zich. Hij overleed in 1685.

Everhardus Emmen huwde op 23 november 1677 met Aleida van Beverforden. Uit dit huwelijk kwamen vijf kinderen voort:

  1. Christina Sibilla Emmen (1678-1678)
  2. Warnerus Emmen (1679-1683)
  3. Hugo Emmen (1681-1724)
  4. Walradina Emmen (1683-1746)
  5. Everhardina Emmen (1685-1773)

Everhard Emmen zou normaliter zijn opgevolgd door zijn oudste zoon Warnerus. Die was echter twee jaar eerder ook overleden, waardoor het schulte-ambt zou overgaan op zijn zoon Hugo Emmen. Hugo was bij het overlijden van zijn vader nog maar 4 jaar. Gedurende 17 jaar werd het schulte-ambt door derden waargenomen tot Hugo de leeftijd van 21 jaar had bereikt.

Bronnen: B.Emmens 2004 en 2005. In 2007 eveneens gepubliceerd in het Drents Genealogisch Jaarboek.

Bos p.99), Buiskool (1980, p.10), Gerard (p.44-60 en 70-73), Kijmmell (1902)

  • 1685-1702 Waarnemers

Everhard Emmen, die in 1685 overleed, zou normaliter zijn opgevolgd door zijn oudste zoon Warnerus. Die was echter twee jaar eerder ook overleden, waardoor het schulte-ambt overging op zijn zoon Hugo Emmen. Hugo was bij het overlijden van zijn vader nog maar 4 jaar. Tijdens de periode waarin hij nog niet volwassen was werd het ambt waargenomen door schultes van elders.

De weduwe Aleida van Beverforden deed het verzoek aan het bestuur van Drenthe of de schulten van Sleen en Anloo deze taak tijdelijk waar zouden willen nemen.

De volgende schultes namen het schulte-ambt van 1685 tot 1702 waar:

  • Waarnemer Harmannus Mauritius

Harmannus Mauritius trad op 27 november 1670 op als verwalter toen:

Luitenant Conrad van Aswede aan de echtelieden Berend Houwink en Jantje en aan Johan Woerdinge en Anne zijn huisvrouw ieder de helft van het hele erf Jolinge te Weerdinge verkocht, dat in gebruik was bij Berend Houwink alsmede drie schat in gebruik bij Jan Elkinge. Bron: SP72-15-I/11

  • Waarnemer Harmen van Bevervoorde

Harmen van Bevervoorde trad op 24 augustus 1685 op als verwalter toen:

Ette Marissen, capitein Fokkert Ales en diens huisvrouw Susanna Emmen verkochten aan Albert Horringe en zijn vrouw Marrytien Roelofs de gerechte vierde part van Horringe en Crommenhovinge-erf te Westenes onder de klokslag van Emmen gelegen. Bron: SP72-44-I/46

  • Joannes Bottichius
  • Herman Schierbeek (schulte van Sleen)
  • Stephen van Selbach (schulte van Anloo, Gieten en Zuidlaren, tevens bannerschulte van de dingspelen Oostermoer en Rolde)
  • Gerhard Camerling
  • Pieter Huijsing
  • 1702-1722 Hugo Emmen

Het geslacht Emmen vervulde 150 jaar lang, van vader op zoon, de functie van schulte in Emmen. Eén van deze schultes was: Hugo Emmen.

Hugo Emmen (1681-1724) was vier jaar oud toen zijn vader Everhard Emmen in 1685 overleed. Gedurende 17 jaar werd het schulte-ambt door derden waargenomen tot Hugo in 1702 de leeftijd van 21 jaar had bereikt.

Hugo Emmen studeerde eerst aan de universiteit van Lingen, later aan de universiteit van Utrecht. Hij promoveerde in 1705 op het proefschrift "De emtione et verditione".

Hugo Emmen huwde op 23 oktober 1712 met Adriana Theodora de Quaadt. Uit dit huwelijk kwamen drie kinderen voort:

  1. Christiaan Wolter Emmen (1713-1772)
  2. Adriana Emmen (xxxx-1715)
  3. Adriana Anna Emmen (xxxx-1718)

Het gezin woonde aan de huidige Hoofdstraat, ook bekend als het Willingehuis.

Bronnen: B.Emmens 2004 en 2005. In 2007 eveneens gepubliceerd in het Drents Genealogisch Jaarboek.

APRT (p.88), ASRT (nr.106), Bonder (p.89), Bos (p.98/99), Buiskool (1980, p.10), Dijck, Hugo Emmen, Gerard (p.71), Heringa (p.437), Joosting (1910, nrs. I 164 en R 11), Joosting (1921, nr.571), Kijmmell (1902), Tenfelde (96)

S.G.Hovenkamp schreef dat het schulte-ambt in de 17e en begin 18e eeuw strikt genomen geen erfelijk ambt was maar er in Emmen wel de kenmerken van vertoonde. Hovenkamp verwees hiervoor naar J.Heringa in "Stadhouders, Drosten en Facties", Drentse Historische studiën II, Assen 1981.

Hugo Emmen, die in 1724 overleed, zou normaliter zijn opgevolgd door zijn zoon Christiaan. Die was bij het overlijden van zijn vader nog maar 11 jaar. Zijn broer en zuster waren ook reeds overleden. In de periode waarin Christiaan nog niet volwassen was werd het ambt waargenomen door schultes van elders.

De volgende schultes namen het schulte-ambt van 1722 tot 1734 waar:

  • Maurits Casper Hommens
  • Hermannus Huijsing
  • Lambert Ludolf Huijsing
  • Waarnemer Maurits Casper Hommens

Maurits Casper Hommens, advocaat uit Gieten, was in functie van 1722(?) tot 1729(?). Hij wordt meerdere malen als verwalter schulte vermeld in de schulteprotocollen SP72 en SP74.

  • Waarnemer Hermannus Huijsing

Hermannus Huijsing, schulte van Sleen, bannerschulte van Zuidenveld en geautoriseerd schulte van Emmen, Odoorn en Roswinkel, was in functie van 17.. tot 17... Hij wordt meerdere malen als verwalter schulte vermeld in de schulteprotocollen SP72 en SP74.

  • Waarnemer Lambert Ludolf Huijsing

Lambert Ludolf Huijsing, schulte van Sleen, bannerschulte van Zuidenveld en geautoriseerd schulte van Emmen, Odoorn en Roswinkel, was in functie van 17.. tot 17... Hij wordt meerdere malen als verwalter schulte vermeld in de schulteprotocollen SP72 en SP74.

  • 1729-1772 Christiaan Wolter Emmen

Het geslacht Emmen vervulde 150 jaar lang, van vader op zoon, de functie van schulte in Emmen. Eén van deze schultes was: Christiaan Wolter Emmen.

Christiaan Wolter Emmen (1713-1772) was elf jaar oud toen zijn vader Hugo Emmen in 1724 overleed. Gedurende een aantal jaren werd het schulte-ambt door derden waargenomen tot Christiaan, 16 jaar oud, nam op 17 maart 1729 de taak van schulte van Emmen, Oderen en Roswinkel op zich.

Tijdens het ambt liet hij zich op 18 april 1730 inschrijven aan de Universiteit van Lingen.

Christiaan Wolter Emmen huwde op 31 oktober 1734 met Francina Hinsbeeck. Zij overleed na één jaar huwelijk Uit dit huwelijk kwam een dochter voort:

  • Francine Emmen (1735-1769). Bron: Alphen, Romein (p.162)

Christiaan Wolter hertrouwde op 25 oktober 1740 met de Hoogeveense Alegonda Johanna Carsten. Uit dit huwelijk kwam een zoon voort

  • Hugo Emmen. Hij overleed jong waardoor er in de familie geen opvolger meer was.

Christiaan Wolter Emmen overleed in 1772.

Bijna 150 jaar (van 1625 tot 1772) was de taak van schulte in de familie Emmen geweest.

Bronnen: B.Emmens 2004 en 2005. In 2007 eveneens gepubliceerd in het Drents Genealogisch Jaarboek.

Bos (p.98/99), Buiskool (1980, p.10), Dohmann, Doorminck, Joosting (1910, nrs. I 178 207 en R 9), Joosting (1921, nr.560 en 566), Kijmmell (1902), NP 54, Romein, Scheer (p.13) Tenfelde (nr.457)

  • 1772-1802 Lucas Willinge

De 41 jarige dr.Lucas Willinge (1731-1802) uit Peize werd door Prins Willem de V van Oranje en Nassau (vanaf 1722 stadhouder van Drenthe en Gelderland) als schulte van Emmen, Oderen en Roswinkel benoemd.

Lucas Willinge kocht in 1776 het huis aan de Hoofdstraat welke bekend zou worden als het Willingehuis. B.J.Mensingh concludeert in zijn boek "Toen stilte nog te horen was" dat deze koop vermoedelijk verband hield met de familierelatie tussen de familie Emmen en Willinge. Het moge duidelijk zijn dat de families Emmen en Willinge in grote welstand leefden.

Op 14 april 1795 werd hij net als de schulten van Drenthe door de Representanten van het volk van Drenthe ontslagen, maar door de inwoners van Emmen, Roswinkel en Odoorn toch weer gekozen, hetgeen door de Representanten op 29 mei 1795 werd goedgekeurd.

Lucas Willinge huwde in 1775 met Anna Siberdina Maria Winshemius. Zij kregen één zoon:

  1. Jan Jacob Willinge (1782-1849)

Jan Jacob was 20 jaar toen zijn vader in 1802 plotseling kwam te overlijden. Normaliter zou Lucas zijn opgevolgd door zijn zoon Jan Jacob Willinge (1782-1849). Jan Jacob was 20 jaar toen zijn vader overleed en was vermoedelijk bezig met een rechtenstudie.

Het ambt werd "tijdelijk" waargenomen door Cornelis Pothoff.

  • 1802-1811 Mr. Cornelis Pothoff

De in 1802 plotseling overleden schulte Lucas Willinge zou normaliter opgevolgd zijn door zijn zoon Jan Jacob Willinge (1782-1849). Jan Jacob was 20 jaar toen zijn vader overleed en was vermoedelijk bezig met een rechtenstudie.

S.G.Hovenkamp schreef dat het schulte-ambt in de 17e en begin 18e eeuw strikt genomen geen erfelijk ambt was maar er in Emmen wel de kenmerken van vertoonde. Hovenkamp verwees hiervoor naar J.Heringa in "Stadhouders, Drosten en Facties", Drentse Historische studiën II, Assen 1981.

Mr. Cornelis Pothoff nam het schulte-ambt van 1802 tot 1811 waar.

Cornelis Pothoff (1766-1844) had rechten en letteren gestudeerd aan de universiteit van Groningen. Na deze studie besloot hij in het onderwijs te gaan. In 1789 werd hij conrector aan Latijnse scholen. Eerst in Oldenzaal, daarna Meppel. Vanaf 1803 was hij schoolopziener. Pothoff was één van de 42 ondertekenaars van het verzoek aan de regering van de Bataafse republiek, van Drenthe een nieuw zelfstandig gewest te maken. Hij trad nogal eigenmachtig op en was erg veeleisend. Aan hem herinnert het oer Drentse gezegde: "Goeie morgen Pothoff" met de betekenis: zo gemakkelijk zal dat niet gaan.

Noot: in "De schulten in Drenthe van 1795-1811" door J.Folkerts staat beschreven dat Hendrik Jan Camerlingh (schulte van Sleen) in 1802 door het Departementaal Bestuur van Overijssel was geautoriseerd om het schuldambt tijdelijk waar te nemen.

Cornelis Pothoff trad o.a. op 14 mei 1803 op als schulte: "Jantje IJkinge, weduwe van Roelof Elken tot Weerdinge laat zich ten behoeve van de schatbeurder des kerspels Emmen met naam Roelof Cremers, bij de kerspelluiden in als schuldige borg voor een bedrag van ƒ 4000 voor onvermoedelijke wanbetalingen van bovengenoemde schatbeurder." Bron: SP72-1168-III/47

  • 1811-1813 Jan Jacob Willinge (maire)
  • 1813-1825 Jan Jacob Willinge (schulte)
  • 1825-1849 Jan Jacob Willinge (burgemeester)

In 1811 nam Jan Jacob Willinge het schulte-ambt op zich en bekleedde één functie met drie benamingen:

  • 1811-1813 Jan Jacob Willinge (maire)
  • 1813-1825 Jan Jacob Willinge (schulte)
  • 1825-1849 Jan Jacob Willinge (burgemeester)

Van 1810-1813 werd Nederland door Napoleon Bonaparte bezet. Tijdens deze Franse bezetting ontstonden naar Frans voorbeeld de burgerlijke gemeenten. Het Franse woord "maire" werd ingevoerd. Na de Franse tijd werd het begrip schulte weer ingevoerd. In 1825 werd de functie burgemeester ingevoerd.

Jan Jacob Willinge werd bijgestaan door griffier Henk Rosing en een ambtenaar van Openbaar Ministerie, Johannes Boelken. Voor de "openbare orde" zorgde toen der tijd één veldwachter.

In de wijk Emmermeer is een straat naar Jan Jacob Willinge genoemd.

Jan Jacob Willinge overleed op 2 november 1849.


Bronvermelding: Omhoog

  • B.Emmens 2004 en 2005. In 2007 eveneens gepubliceerd in het Drents Genealogisch Jaarboek.
  • "Geïllustreerde plaatsbeschrijving Gemeente Emmen".
  • "De schulten in Drenthe van 1795-1811" door J.Folkerts.
  • "Nieuwe Drentsche Volksalmanak" uit 1902.
  • "Geschiedkundig overzicht der besturen etc.", derde stuk tweede gedeelte, door J.S.Magnin 1850.
  • "Bestuurders in Drenthe" door W.Duinkerken, 1964.
  • "Archieven van de kerspelen en marken" door Mr.J.G.C.Joosting, 1910.
  • "Toen stilte nog te horen was" door B.J.Mensingh. Uitgeverij Drenthe te Beilen. ISBN 90-75115-22-9.
  • Een publicatie van de gemeente Emmen van februari 1969.
  • "Geschiedenis van Emmen en Zuidoost Drenthe" onder redactie van Drs.M.A.W.Gerding, Mr.P.Brood, Prof.Dr.P.Kooij, Dr.G.Groenhuis, G.de Leeuw, Drs.A.N.Witter in opdracht van het gemeentebestuur van Emmen.
  • "Zuidoost Drenthe op weg naar een nieuwe toekomst deel III" door H.T.Buiskool.
  • De Provinciale Drentsche en Asser Courant van dinsdag 27 februari 1883.
  • "Emmen en Zuidoost Drenthe" uit 1940. Een geografische monografie door J.Visscher. Uitgeverij Kemink en Zoon NV te Utrecht.
  • "De Kroniek" tijdschrift Historische Vereniging Zuidoost Drenthe juni 2010. "Emmen-Empne - een omwalde vesting" door ir. Albert J.Mantingh.
 

Wie helpt? Omhoog

Klik hier om een e-mail aan Historisch Emmen te versturen Historisch Emmen zoekt altijd naar informatie.
Foto's, kranten, artikelen, advertenties, knipsels, stambomen, genealogie, alles is welkom.
Na digitalisering ontvangt u alles retour.
Help mee Historisch Emmen beter en vollediger te maken.