dot Home - start
dot Historie
dot Emmen centrum
dot Wijken buurten straten
dot Buitendorpen
dot Cultuur

dot Gemeente archief
dot Verenigingen
dot Wie helpt?

dot English Deutsch Français Español dot
De historie van Emmen in woord en beeld

 

 

Logo Historisch Emmen

Historisch Emmen toevoegen aan uw favorieten

blauwe lijn
dot Laatst gewijzigd dot Gastenboek dot Over deze site dot Sitemap dot E-mail dot

Historie: Emmen, de eerste bewoners: Omhoog


Hoe oud is Emmen?: Omhoog

Vaak vragen mensen zich af hoe oud Emmen eigenlijk is. Maar wat bedoeld men met deze vraag? De ouderdom van de naam Emmen? De plaats Emmen? De omgeving? De eerste bewoners? Op al deze vragen zijn verschillende antwoorden te geven.

De oudste bekende oorkonde stamt uit 1139, waardoor Emmen in 1989 precies 850 jaar bestond. In deze oorkonde wordt echter niet geschreven over Emmen maar Emne.

Dit artikel behandelt de oudste bewoning van de omgeving welke tegenwoordig de gemeente Emmen omvat.


40.000 jaar geleden: Omhoog

Foto Historisch Emmen bladspits Trip

Bladspits (boven) en Keilmesser (onder) zoals deze gevonden zijn door vader en zoon Trip. Het zijn op dit moment de oudste vuurstenen vondsten in de gemeente Emmen.

Foto Historisch Emmen keilmesser Trip

Onder: voorstellingen van Neanderthalers zoals deze te zien was in het Biochron van het Dierenpark Emmen.

Foto Historisch Emmen neanderthaler

Foto Historisch Emmen neanderthaler

Foto Historisch Emmen neanderthaler

Foto Historisch Emmen neanderthaler

Foto Historisch Emmen mammoet

De amateur-archeologen Rieks en Henk Trip, vader en zoon uit Emmen, hebben in 1991 bij Emmen twee uiterst fraaie en zeldzame vuurstenen gevonden die zo'n 40.000 jaar oud zijn. Ze zijn ooit door de Neanderthalers gemaakt en gebruikt.

De bovenste foto betreft een 7 cm lange vuurstenen bladspits. Bladspitsen worden uiterst zelden in Nederland gevonden. Bij een opgraving in Engeland werden bladspitsen aangetroffen tussen de overblijfselen van een wolharige neushoorn. Tijdens de aanleg van een pijpleiding door Drenthe werd bij Orvelte een grote hoeveelheid botten aangetroffen van mammoeten en neushoorns. Onderzoek heeft aangetoond dat deze resten ongeveer 45.000 jaar oud zijn. De ouderdom van bladspitsen wordt geschat op 35.000 tot 50.000 jaar oud. De Neanderthaler in Drenthe zal de mammoet dus goed hebben gekend.

De onderste foto betreft een biface, een tweezijdig bekapt werktuig uit de Oude Steentijd. In Duitsland wordt dit een Keilmesser genoemd.

Archeologen kunnen aan de vorm en bewerking zien dat die stenen door de Neanderthalers zijn gemaakt waardoor ze te onderscheiden zijn van vuurstenen werktuigen uit jongere periodes.

De vondst in 1991 toont aan dat in het gebied waar nu Emmen ligt zo'n 40.000 jaar geleden al mensen tussen de mammoeten rondliepen.

Lange tijd is gedacht dat de huidige mens afstamt van de Neanderthaler. In 1997 werden de resultaten van een onderzoek van internationale wetenschappers gepubliceerd waarbij was vastgesteld dat de Neanderthaler genetisch te zeer van de mens afweek om onze voorvader te kunnen zijn. Het onderzoek richtte zich op DNA dat was gevonden in 30.000 jaar oude Neanderthaler beenderen.

Het eerste voorbeeld van een Neanderthaler werd in 1856 geïdentificeerd door F.G.Fuhlrott in het Duitse "Neanderdal", bij Düsseldorf. Onderzoek heeft uitgewezen dat vanaf ongeveer 300.000 jaar geleden een mensensoort met Neanderthaler kenmerken zich begon te ontwikkelen. Vanaf ongeveer 120.000 jaar voor Christus verscheen de "klassieke" Neanderthaler. Typisch waren de lage schedel, de massieve wenkbrauwbogen en de grote bijna kinloze onderkaak die naar achteren lag. Een volwassen man was vrij klein 1,60 m lang), gedrongen en veel gespierder.

De Neanderthaler is dus geen voorloper van de moderne mens, de homo sapiens. Beide soorten hebben wel gemeenschappelijke voorouders. De Neanderthaler was een afzonderlijke zijtak in de evolutie van de mens. Hij leefde voornamelijk in Europa. Vanaf 100.000 jaar geleden zwermde hij uit naar het oosten, zoals vondsten in Israël, Irak en Oezbekistan bewijzen. Verder kwam hij niet, wellicht vormde de Middellandse Zee een niet te overbruggen barrière. In het Nabije Oosten leefde hij naast de moderne mens. De gedachte dat de mens oorspronkelijk uit Afrika zou komen en zich van daaruit zo'n 100.000 jaar geleden over de aarde zou hebben verspreid wordt daardoor losgelaten.

De Neanderthaler leefde hier in een wisselend koude omgeving. In Noord Europa heerste 40.000 jaar geleden een ijstijd. Het was de laatste ijstijd en wordt Weichselien genoemd. Deze ijstijd duurde van (ongeveer) 10.000 tot (ongeveer) 90.000 jaar geleden. Hoewel deze hele periode als ijstijd bekend staat is het niet zo dat het hier voortdurend koud was. Tijdens deze laatste ijstijd wisselden koudere (glaciale) en warmere (interglaciale) periodes elkaar af (zie onderstaande tabel).

Noord Europa was toen bedekt met een pak ijs dat Drenthe net niet bereikte, maar het was in onze streken wel koud. Met name in de warmere periodes hebben de Neanderthalers geleefd in het gebied waar Emmen tot ontwikkeling kwam.

De Neanderthalers leefden van de jacht en trokken daar naar toe waar ze dieren konden vangen. Ze jaagden o.a. op rendieren, paarden, wisenten, wolharige mammoeten en wolharige neushoorns. Voor het slachten van de vangst werden vuurstenen vuistbijlen en helleflinten gebruikt. Archeologen nemen aan dat de in 1991 gevonden spitsen als speerpunt hebben gediend en werden gebruikt bij de jacht op groot wild. Ze zijn waarschijnlijk representatief als laatste spoor van de Neanderthaler in Nederland.

Ongeveer 35.000 jaar geleden verdween de Neanderthaler vrij plotseling en maakte hij plaats voor de moderne mens. Het is niet duidelijk hoe deze snelle overgang verklaard moet worden.

Hoewel het niet valt uit te sluiten, is de kans erg gering dat aangetoond kan worden dat er oudere bewoning in Drenthe is geweest. Mogelijke sporen uit oudere tijden zijn waarschijnlijk verloren gegaan tijdens de voorlaatste ijstijd, het Salien omdat de Scandinavische ijskap zich toen wel over Noord Nederland uitbreidde.

Chronostratigrafie van de Laatste IJstijd (Weichselien)   vegetatie geschatte gemiddelde juli temperatuur
Jonge Dryas 10.000-11.000 parklandschap (subarctisch) 9°C
Allerød 11.000-11.800 dennen en berken bossen 15°C
Oude Dryas 11.800-12.000 open parklandschap (subarctisch) 10°C
Bølling 12.000-13.000 parklandschap en berkenbossen 12,5°C
Oudste Dryas 13.000-29.000 toendra 5°C
    poolwoestijn 4-5°C
Denekamp 29.000-32.000 toendra 10°C
  32.000-37.000 toendra 6°C
Hengelo 37.000-39.000 toendra 10°C
  39.000-43.000 poolwoestijn 4°C
Moershoofd 3.000-45.000 toendra 7,5°C
  50.000-58.000 poolwoestijn 4°C
Odderade 58.000 dennen en berkenbossen 16°C
    open parklandschap (subarctisch) 9°C
Brørup 65.000 dennen en berkenbossen 16°C
    open parklandschap (subarctisch) 8°C
Amersfoort 68.000 dennen en eiken bossen 15°C
  68.000-90.000 parklandschap (subarctisch) 7,5°C

3.000 jaar geleden, Hunebedbouwers: Omhoog


Johan Picardt: steenhopen.

Door de aanwezigheid van hunebedden, de oudste monumenten van ons land, in en rond Emmen, weet men dat hier in die tijd al mensen hebben geleefd.

Wanneer men de gigantische grote stenen ziet, vraagt men zich af welke geweldenaren het voor elkaar gekregen hebben om zonder takels en kranen een hunebed te bouwen. Deze vraag hield de Romeinen ook al bezig. Romeinse verkenners zijn ongeveer 2000 jaar geleden in onze omgeving op ontdekkingstocht geweest en zij dachten dat de zware stenen van de hunebedden alleen maar vervoerd konden zijn door de sterke Hercules, een door de oude Grieken en Romeinen zeer vereerde krachtpatser.

De Drentse predikant Johan Picardt schreef in 1660 over de bouw van hunebedden. Hij bedoelde daar echter niet de tegenwoordige hunebedden mee, maar grafheuvels. Hunebedden noemde hij "steenhopen". De eerste die in ons land een megalithisch graf als hunebed aanduidde was Titia Brongersma in 1685.

Hunebedden zijn tussen 3400 voor Christus en 2900 voor Christus gebouwd in het tijdperk Neolithicum, ook wel de Nieuwe Steentijd genoemd. Het was de periode waarin stenen werktuigen, als bijlen en maalstenen, werden gebruikt door de mensen van de zogeheten "Trechterbekercultuur" en waarin het aardewerk haar intrede deed. Deze mensen waren de eerste boeren in ons land die op één plek bleven wonen. Tot deze tijd trok de bevolking van plek naar plek achter het wild aan. In deze tijd ging men zelf beesten fokken en leefde de bevolking i.p.v. de jacht meer van de landbouw, vooral graan. Het veen was onbewoonbaar maar de Hondsrug was hoger (en droger) gelegen en dat was een bepalende reden waarom de prehistorische mens daar ging wonen. Wat men nu nog van een hunebed ziet, is slechts het skelet. Oorspronkelijk lag er een grote heuvel over. De openingen tussen de grote stenen werden dichtgestopt met kleinere keien, de stopstenen. De heuvel is door o.a. weersinvloeden verdwenen en de stopstenen zijn er tussenuit gevallen. Vaak werd een hunebed zelf ook nog eens gebouwd op een heuvel. Dit is nog goed te zien bij het hunebed D45 in de Emmerdennen.

De grote zwerfstenen die werden gebruikt voor de bouw van een hunebed zijn tijdens de voorlaatste ijstijd, 180.000-130.000 jaar geleden, met het landijs naar deze streken geschoven. De stenen werden uitgegraven en werden verplaatst naar de plaats waar de grafkelders moesten komen.

De vloer van een hunebed bestond voornamelijk uit granietgruis en kleine keien. De vloer stond vol met potten die de dode mee kreeg. Vermoedelijk bevatten deze potten voedsel voor de lange reis. Men heeft er geen crematieresten in gevonden en het dus geen urnen zijn. Raakte de vloer vol dan legde men er gewoon een nieuwe vloer over aan en men kon weer een nieuwe laag met potten plaatsen. Er zijn hunebedden waar meer dan honderd potten in gevonden zijn. Wel vond er secundaire verbranding plaats. Was een hunebed vol, dan werden de restanten wel in een hoek van de grafkamer verbrand. Dit vond ook plaats BUITEN het hunebed zoals is aangetroffen bij het langgraf.

Als wordt aangenomen dat bij elk hunebed een nederzetting hoorde, dan is daarmee bekend waar deze nederzettingen ooit lagen. Dat er soms vele potten zijn gevonden betekent niet automatisch dat het om grote nederzettingen zou gaan. De hunebedden zijn immers eeuwenlang in gebruik geweest. Het is bekend dat elke overledene gemiddeld vijf potten of kommen meekreeg, maar tevens dat niet iedere overledene werd bijgezet. Hierdoor is het aantal bewoners van een nederzetting slechts bij benadering bekend.

Er wordt gedacht dat hunebedden, naast de functie van grafkelder, ook sociale of rituele functies hadden of zelfs wel dienden om een territorium aan te geven.


Herkomst: Omhoog

Over de herkomst van de hunebedbouwers bestaan meerdere theorieën:
  • Archeologen hebben lange tijd gedacht dat ze uit Noord-Duitsland, Polen, Denemarken en Zuid-Zweden kwamen. Men veronderstelde dat ze daar weggetrokken waren vanwege een te hoge bevolkingsdruk.
  • Er is ook een theorie die aangeeft dat lokale bewoners van ons land de gewoontes van de mensen uit die landen hebben overgenomen. Het vreemde is namelijk dat er in Drenthe nooit sporen gevonden zijn van de huizen van hunebedbouwers. In Duitsland en Denemarken zijn wel huisplattegronden aangetroffen uit die tijdsperiode. De huizen die daar opgegraven zijn, stonden allen binnen een omheining. Ze waren zo'n 10 tot 12 meter lang en 4 tot 5 meter breed. De wanden waren van takken gevlochten en dichtgesmeerd met leem. Er zijn in Denemarken omheiningen gevonden waarbinnen vier huizen hebben gestaan. Op grond daarvan denken archeologen dat in een dergelijke nederzetting ongeveer 20 tot 30 mensen hebben gewoond.
  • Tot slot zouden de hunebedbouwers waarschijnlijk uit het Nabije Oosten via de Hongaarse laagvlakte en de Duitse vlakten naar - wat nu Nederland heet - zijn gekomen. De begrafenis 'gewoonte' zou waarschijnlijk uit het zuiden komen zoals het Middellandse  zeegebied, Spanje of Frankrijk waar men soortgelijke graven kent. Evenals trouwens in Ierland (Menhir, Dolmen, Allignements).

Verdwenen: Omhoog

Drenthe telde ooit ongeveer honderd hunebedden. Daar zijn er nu nog 52 van over, waarvan 10 in Emmen, de andere zijn verdwenen.

In de vorige eeuwen zijn er veel hunebedden gesloopt. De stenen werden namelijk nog al eens als bouwmateriaal gebruikt.

In 1734 werd er voor het eerst een verordening opgesteld om de hunebedden te beschermen:

"Alzo wij in gewisse ervaringe zijn gekomen, dat op veele plaatsen in deze landschap, in het verkopen en wegvoeren van veldstenen, merkelyke excessen worden begaan, niet alleen door de markgenoten selfs, maar ook door de meyeren en andere gedisqualificeerde ingesetenen, met te verkopen en doen removeren van markstenen, voordestenen en andere scheidstenen, ja selfs ook van de soogenaamde Hunebedden, die, allenthalven, als waardige monumenten en van ouds beroemde gedenktekenen, behoorden geconserveert te worden: so is 't dat wy, mits dezen, wel ernstelyk intercideren en verbieden aan alle en een iegelyk, om eenige scheidstenen, mitsgaders de stenen van de sogenaamde Hunebedden, te mogen verkopen, removeren of vervoeren, bij de poene van hondert goltguldens t' eIken reyse te verbeuren boven de waardye van de verkofte of weggevoerde stenen."

Veel keiendelvers stoorden zich er echter niet aan en gingen gewoon door met hun sloop werkzaamheden. Dit blijkt o.a. uit een reisverslag van Harm Boom uit 1868 welke door Ger de Leeuw is weergegeven in "Rondom de Heerenhof":

"Regts van mij liep de kunstweg over Emmen naar Dalen, Hoogeveen en Coevorden, oostwaarts lagen de uitgestrekte veenen en links, onmiddellijk aan de brug palende, het gehucht Noord-Barge, onder de schaduw van eikengeboomte. Aan den oever van het kanaal, dat zich tot aan Zuid-Barge uitstrekt en sterft aan den ingang van het onmetelijk turf paradijs, lagen miljoenen ponden keisteen opeengestapeld, wachtende op gelegenheid om naar onze zeeweringen vervoerd of onder de slagen van den hamer verbrijzeld te worden, ten einde dan onze wegen te bevloeren."

In de 18e en 19e eeuw zijn er veel keien verkocht naar het westen van het land. Toen "vrat" daar de paalworm namelijk het hout op dat in die tijd nog veel gebruikt werd om dijken en beschoeiingen van te maken. Ook oudheidkundige Andries Schoemaker (1660-1735) schreef hierover tijdens zijn reis door Zuidwest Drenthe in 1732. Bron: A.E.van Giffen, De hunebedden in Nederland, 1925.

't Heeft de Heere des Hemels en der aarde behaagt om de geunieerde Nederlanden (wegens haar hooggaande sonden en ongeregtigheden) met een seer bedroefde quale te besoecken: namelijk een soort van gewormte die niet allenig de schepen door knagen: maar wel insonderhijt het paalwerk dat aan de deycken staat: dat door dat gedierte door knaagt word tot aan de grond toe waar door dan de paalen afgeknaagt zijnde daar heen vallen en den dijk gevaar loopt om bij stormwinden en hooge vloeden in te breken: waar door het land dat doorgaans in Holland: Zeland: en Vriesland: door de deyken bewaart word: ten eene maal soude kunnen onder water loopen gelijk wíj daar van de droevige gevolgen voor onse tijt: soo selfs meer als eens gesien hebben en noch sien dat de beylemer meer tussen Amsteldam en Weesp nog onder water lijt.

Om was het mogelijk nu dese toetale Ruine deser landen voor te komen soo hebben haar hoogmogende de Heere staten van Holland: nevens de andere staten haare bontgenoten een bede dagh doen uytschrijven: om was 't mogelijk Godt almagtig te bidden dat het sijn vaderlijke en seer goedertierende hand mogte geliven de plagen: en straffe: schoon die wel verdient waren van den landen te wenden: en de selve landen in sijn Genadige bescherming aan te nemen en te behoeden. Ten andere hebben se ook na menschelijke middelen omgesien en een premie belooft aan den Gene die iets wist uyt te vinden dat tot wering mocht dienen om dit gewormpte te stuyten soo sijn er al verschijde opgekomen die meenden een middel gevonden te hebben om het quaat te weeren doende de niwe paalen die er soo ver in geslagen wierden met een sekere harde stof bestrijken soo verre als die in 't water stonden waar men heeft bevonden dat het gewormpte die van verschijde soorten sijn dat echter in een seer korten tijt hebben doorknaagt en ten eene maal te niet gegaan soo heeft onder andere Pieter Straat burgemeester te Boven-Karpsel en hoofdingeland nevens zijn Confrater een boekje uyt gegeven in de welke een middel werd aan de hand gegeven om niet alleen het quaat van 't gewormte te boven te komen maar ook de dijken bestandiger te maken het boekje is in 't jaar 1735 voor de twede maal gedrukt bij Johannes Oosterwijk op den dam: hier in werd sonne klaar aan, getoont en een middel aan de hand gegeven om (onder Godes segen) dit quaat te stuyten 't welk is om voor de dijken al gloyende steenen te werpen van een groote zwaarte, dit is werkstellig gemaakt: en den bovengenoemde Pieter Straat heeft mijn mondeling gesegt: en getoont dat dit een seer goede uytwerking is geweest aan de Geldersche dijk tusschen Enkhuysen en Medenblik daar de dijk maar swack en qualijk gestelt was. Daar op heeft men bezig geweest om uyt alle Gewesten steen bij den andere te krijgen om die te gebruyken: dat wel goeth was maar, seer langsaam voort gong: soo heeft het God behaagt dat men in ons eygeland daar men geen gedachte op had: een groote meenigte van steen in de aarde ondeckte in het land van Drent en voor eerst in sonderheyt omtrent Havelte: om nu daar van de waarhijt te weten: soo hebbe ik versocht aan J.Dannenberg wonende tot Meppelen twee uurtjes van Havelte: die mijn dat antwoord: onse heeren hebben verboden om niet te verkopen de soogenaamde hunebedden en de groote antiquitijt steenen, maar de andere steenen wel die in meenigte uytgevoert worden en van een verbaasde groote sijn en nu ondeckt worden en in de grond leggen, ik ging voor leden vrijdagh na Dieveren en sag toen in een moerassig veentyen een steen die opgegraven wierd: en was soo ver als men hem sien konde: al 17 voeten over sijn kruys die sol bemoelijk wesen daar van daan te krijgen: de wijl de wegh bijna ontoegankelijk was: ik ben daar met veel moeyte en gevaar bij geweest. Hier sijn al (steenen) laten springen daar 136 wagenvragten sijn afgevoert en sit noch veel aan de grond etc,

"Was gedateert 16 April 1735, getekent J.Dannebergh."

Stenen waren een goed alternatief en die lagen er in Drenthe genoeg. Toen men weinig tijd had om ze te zoeken gingen ze maar naar een hunebed. Veel mensen gingen naarstig op zoek naar stenen omdat de verkoop er van een aardige bijverdienste opleverde. De stopstenen tussen de staanders - maar ook andere hunebedstenen - werden fijn geklopt door ijverige Drentse winterarbeiders. In "Rondom de Heerenhof" merkt Ger de Leeuw over deze klopperij op, dat er 's winters toch weinig te doen was rondom de boerderij.

Grote stenen van hunebedden zijn echter erg zwaar. Om ze te kunnen vervoeren werden er gaten ingeboord. Vlak naast elkaar. In de gaten werd springstof tot ontploffing gebracht, waarna de steen uiteen spatte in een groot aantal kleine stukken.

Pas in de twintigste eeuw werd er beter op toegezien.


Hunebed D38 Omhoog

Foto Historisch Emmen hunebed D38 Valtherbos
Foto: Van Giffen 1925.

Ligging: in het Valtherbos.
  • Dit hunebed werd voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). Het hunebed werd nooit wetenschappelijk onderzocht en is in 1960 gerestaureerd.

Hunebed D39 Omhoog

Foto Historisch Emmen hunebed D39 Valtherbos
Foto: Van Giffen 1925.

Ligging: in het Valtherbos.
  • Dit hunebed werd voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). In 1925 is de dekheuvel door Van Giffen onderzocht en vervolgens in 1984 door J.N.Lanting. Ook dit hunebed is in 1960 gerestaureerd. Het hunebed telt nog maar één deksteen terwijl dat er ooit drie zijn geweest.

Hunebed D40 Omhoog

Foto Historisch Emmen hunebed D39 Valtherbos
Foto: Van Giffen 1925.

Foto Historisch Emmen hunebed D38 D39 D40 Valtherbos
De hunebedden D40, D39 en D38
gezamenlijk op een heideveldje.

Ligging: in het Valtherbos.
  • Voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). In 1918 en 1921 door Van Giffen onderzocht omdat dit een van de weinige dekeuvels was die destijds nog in oorspronkelijke staat verkeerde. In 1987 stelde J.N.Lanting er een onderzoek in. De kelder werd in 1918 grotendeels leeg aangetroffen. Gedeeltelijk in maar vooral om het hunebed heen is nog veel trechterbeker aardewerk gevonden. Eveneens in 1960 gerestaureerd. Het hunebed telt nog maar één deksteen terwijl dat er ooit ook drie zijn geweest.

Hunebed D41 Omhoog


Tekening W.Pleyte

Ligging: Aan de Odoornerweg.
  • Werd ontdekt in 1809 en dat jaar onderzocht door P.Hofstede.
  • Na 1818 werd het hunebed gerestaureerd.
  • In 1960 deed A.E.van Giffen er onderzoek.

Zie verder Odoornerweg, voor een beschrijving en de vondsten in D41.


Hunebed D42 Omhoog

Foto Historisch Emmen hunebed D42 Schietbaanweg
Foto: Van Giffen 1925.

Ligging: Op de Schimmeres aan de Schietbaanweg.
  • Dit hunebed werd voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). Het hunebed werd nooit wetenschappelijk onderzocht en is in 1960 gerestaureerd voorafgegaan door een onderzoek. Dit hunebed is het enige hunebed in Nederland met 3 paar poort zijstenen. Van Giffen zou hier een bronzen scheermes uit de Midden Bronstijd hebben gevonden. Bij dit hunebed is de schurende werking van bergen en dalen goed te zien vanwege de gladheid van één der dekstenen.

Hunebed D43 Omhoog

Foto Historisch Emmen hunebed D43 Langgraf

Ligging: Op de Schimmeres.
  • Staat vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). Het is het enigste langgraf in Nederland.

Zie verder Noordeind, voor een beschrijving en de vondsten in D43.


Hunebed D44 Omhoog

Foto Historisch Emmen hunebed D44 Westenesch
Foto: Van Giffen 1925.

Foto Historisch Emmen hunebed D44 Westenesch

Ligging: In Westenesch.
  • Voor de eerste keer vermeld in 1848 door L.J.F.Janssen. In 1961 onderzocht en gerestaureerd door Van Giffen. Het enige particuliere hunebed in Nederland. Eén der stenen vertoond een rij boorgaten. Tussen 1848 en 1878 werd het hunebed vernield.

Hunebed D45 Omhoog

Foto Historisch Emmen hunebed D45 Emmerdennen
Foto: Van Giffen 1925.

Ligging: In de Emmerdennen.
  • Voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). Ondeskundig opgeknapt in 1870. Zwaar beschadigd door sloopwerkzaamheden in 1885. In 1957 door Van Giffen onderzocht en gerestaureerd. Een der dekstenen heeft boorgaten. Het verhaal gaat dat Napoleon er met zijn paard op heeft gestaan.

Hunebed D46 Omhoog

Foto Historisch Emmen hunebed D46 Angelslo

Ligging: Aan de Fokkingeslag in de wijk Angelslo.
  • Voor het eerst vermeld op de Hottingerkaart (1788-1792). Nooit wetenschappelijk onderzocht. Ligt midden in een woonwijk. Gerestaureerd in 1960 en 1997. Eén der dekstenen bezit boorgaten.

Hunebed D47 Omhoog

Foto Historisch Emmen hunebed D47 Angelslo
Foto: Van Giffen 1925.

Ligging: Aan de Haselackers in de wijk Angelslo.
  • Voor de eerste keer vermeld in 1819 door L.Willinge. Nooit wetenschappelijk onderzocht. Ligt midden in een woonwijk. Gerestaureerd in 1960 en 1997. Bij de laatste restauratie zijn twee dekstenen van elders gebruikt.

Hunebed D48 Omhoog

Foto Historisch Emmen hunebed D48 Noordbargerbos
Foto: Van Giffen 1925.

Ligging: In het Noordbargerbos.
  • Deze forse kei die in de verste verte niet op een hunebed lijkt kreeg het hunebednummer D48 mee. Waarschijnlijk vanwege het kenmerkende feit bij hunebedden dat de bovenzijde uitermate vlak is. Deze steen ligt in het Noordbargerbos nabij de afslag Nieuw Amsterdam en waarover geschreven wordt dat het de grootste megaliet van Nederland zou zijn. De kei bevat boorgaten en een afgesprongen vlak is nog zichtbaar.

Hunebed D37a Omhoog

Niet meer bestaand, lag bij Weerdinge in het Valtherbos.
  • In 1837 opgegraven door J.Kouwens De Sille (van beroep controleur te Emmen). Uit onderzoek van Van Giffen in 1925 bleek dat het nadien totaal is vernield. In 1933 nogmaals door J.N.Lanting onderzocht.

Hunebed D39a Omhoog

Niet meer bestaand, lag in het Valtherbos.
  • Ten noordoosten van hunebed D39 werd in 1992 een geheel vernielde grafkelder ontdekt in een ovale ondiepe verlaging waarin steengruis werd aangetroffen. Het omzomende heuveltje bevatte veel stenen en wordt beschouwd als de grafheuvel. Door de kleine afmetingen van maximaal 5,5x2,5 meter denkt men aan een steenkist. Er zijn geen Trechterbeker vondsten gedaan.

Hunebed D43a Omhoog

Niet meer bestaand, lag op de Schimmeres.
  • Dit hunebed werd in 1918 door L.Willinge voor het eerst beschreven. In 1847 werd het hunebed nog bestudeerd door L.J.F.Janssen. Dit niet meer bestaande hunebed lag ten zuiden van het bekende langgraf D43 en is vermoedelijk tussen 1869 en 1871 gesloopt. Men denkt dat de stenen zijn gebruikt voor de restauratie van het langgraf D43 in 1869. Door de aantekeningen van Janssen is bekend dat het hunebed tijdens zijn onderzoek bestond uit drie zijstenen, twee dekstenen en één sluitsteen. Er werden drie complete potten gevonden en enkele scherven. In 1968 werd de plaats herontdekt door J.E.Musch en werd het in 1984 wederom aan een onderzoek onderworpen. J.N.Lanting vond toen nog 5500 scherven, waardoor 114 potten konden worden gereconstrueerd. Daarvan werden weer 89 potten toegekend aan de Trechterbekercultuur.

Hunebed D44a Omhoog

Niet meer bestaand, lag in de Saalhof.
  • -

Ongenummerd Omhoog

Niet meer bestaand, lag ten noorden van de Houtweg in de wijk Emmerhout.
  • Geen gegevens bij Historisch Emmen bekend.
Niet meer bestaand, lag bij Westenesch.
  • Geen gegevens bij Historisch Emmen bekend.

Grafheuvels: Omhoog


Johan Picardt: grafheuvels.


Grafheuvel nabij Emmerschans
Foto: © J.Withaar.

Grafheuvels zijn de "opvolgers" van de hunebedden en werden voor het "eerst" opgeworpen rond 2900 voor Christus, in het tijdperk Nieuwe Steentijd (5300-2000 voor Christus).

Eén van de grootste verschillen met de hunebedden is, dat in het begin van de grafheuvelperiode overledenen niet langer collectief begraven werden, maar dat ieder individu een eigen laatste rustplaats kreeg. Men noemt het begin van het grafheuveltijdperk dan ook wel de periode van de enkel grafcultuur.

In deze tijd doet ook een ander soort aardewerk haar intrede. Vanaf 2900 voor Christus worden de potten van het zogeheten "trechterbeker type" vervangen door het "standvoetbeker type". Deze bekers zagen er mooier uit dan hun voorgangers.

Geleerden zijn het niet eens over die plotselinge verandering in vorm. Sommige denken, dat binnentrekkende bevolkingsgroepen uit andere streken er de oorzaak van zijn. Andere menen, dat het komt door veranderingen binnen de inheemse samenleving. Het juiste antwoord zal men wel nooit vinden.

Wanneer er tijdens de enkel grafcultuur iemand kwam te overlijden werd hij dus niet meer bijgezet in een hunebed, maar "gewoon" begraven. Over het graf werd een heuvel geworpen, de grafheuvel. Het graf lag in het centrum van de heuvel. Niet altijd werd er een heuvel over het graf geworpen. Wanneer de heuvel ontbreekt, spreekt men van een vlakgraf.

In sommige gevallen werd er rond de grafkuil een greppeltje gegraven waar palen in werden gezet. Men weet niet waarom. Bij de aanleg van Angelslo zijn veel van dergelijke graven aangetroffen. Overledenen werden in een hurkhouding begraven in een rechthoekige grafkuil die oost westelijk georiënteerd was. Mannen werden op de rechterzij, met het gezicht naar het zuiden gelegd. Vrouwen op de linkerzij, eveneens met hun gezicht naar het zuiden.

Overledenen kregen grafgiften mee. Daarbij werd er verschil gemaakt tussen mannen en vrouwen. Mannen kregen namelijk meer voorwerpen mee. Typerend voor mannengraven zijn de stenen hamerbijlen en vuurstenen werktuigen zoals messen en pijlpunten. Soms werd er een mooie pot meegegeven. Ook de mensen van de standvoetbekercultuur maakten dus gebruik van (vuur)stenen bijlen en werktuigen evenals de mensen van de klokbekercultuur. Uit deze tijd stammen ook de oudste in West Europa gevonden wagenwielen.

De mensen van de klokbekercultuur leefden in dezelfde tijdsperiode tussen 2600 en 2100 voor Christus. Zij werden eveneens onder een grafheuvel begraven. In het begin van De Bronstijd, omstreeks 2000 voor Christus werd nog steeds vastgehouden aan het begraven van de doden en de grafheuvel, al veranderde er wel het één en ander.

De rechthoekige grafkuil was vanaf toen namelijk noord zuid georiënteerd en een uitgeholde boomstam, die als kist diende, was nieuw en kenmerkend voor de Midden Bronstijd (1000 voor Christus) Ook hier vond men vaak palenkransen rond het graf zoals in de Emmerdennen. Ook werden er vanaf die tijd meerdere mensen begraven onder een heuvel. Precies in het midden van een heuvel lag nog wel een hoofdgraf, maar steeds vaker werden er, parallel aan de heuvelvoet, nieuwe graven gedolven. Men noemt dergelijke grafheuvels ook wel "meer perioden heuvels".

In De Bronstijd kwamen tevens voor het eerst "dodenhuisjes" voor. Dit waren eenvoudige houten bouwwerkjes die tijdelijk over de heuvel werden gebouwd. De paalgaten zijn bij veel opgravingen teruggevonden.

Vanaf 1100 voor Christus werden overledenen gecremeerd en de urn, met daarin de asresten van de dode, begraven in een kuil die eveneens weer met een heuvel bedekt werd.

In Emmen zijn meer dan honderd urnenvelden gevonden. Op de Emmeres alleen al werden er in 1843 maar liefst 67 aangetroffen In het Valtherbos liggen er tientallen en in de Emmerdennen zijn er al meerdere opgegraven. In Emmerhout en Angelslo heeft men in het verleden ook grafheuvels onderzocht. In Emmerhout en Angelslo heeft men in het verleden ook grafheuvels onderzocht. Bij het dorpje Angelsloo vond men onder één heuvel een kindergraf.

Beenderen van mensen die in de prehistorie begraven zijn, worden in Drenthe niet aangetroffen omdat ze niet bewaard blijven in de kalkarme bodem.

Ook in 2001 werden wederom sporen van voor de jaartelling gevonden. Op een voormalig deel van de es tussen Westenesscherstraat en Frieslandweg werd door het ARC (Archeological Research and Colsultancy) van de Rijksuniversiteit in Groningen onderzoek gedaan. Waar nu parkeerplaatsen liggen voor 800 auto's, lagen sporen van nederzettingen. De meest bijzondere vondst was een vuurstenen mesje die 1500 jaar voor Christus in gebruik is geweest.

Bron: "Rondom de Heerenhof, historische balans van Emmen, een stad vol dorpen in het jaar 2000", door G.de Leeuw. Uitgeverij Drenthe, Beilen. ISBN 90-75115-29-6, met aanvulling door G.de Leeuw.


Bronvermelding: Omhoog

  • Gerrie van der Veen (die een deel van deze tekst oorspronkelijk heeft gepubliceerd).
  • De Standaard 22 april 1996.
  • De Telegraaf 11 juli 1997.
  • "De Hunebedden in Nederland" door A.E.van Giffen, uitgave 1925 bij uitgeverij A.Oosthoek te Utrecht.
  • "De eerste Nederlandse Hunebeddengids" door Frits Bom. Uitgave Ankh-Hermes bv te Deventer. ISBN 90-202-5407-3.
  • "Hunebedden monumenten van een Steentijdcultuur" door Evert van Ginkel, Sake Jager, en Wijnand van der Sanden.
    Uitgave Uniepers te Abcoude. ISBN 90-68 25 3336.
  • Drentse Courant 21 juli 2001.
  • "Reuvens in Drenthe", door J.A.Brongers. Uitgave ROB. ISBN 90-228-3925-7.
  • "In de bodem van Drenthe" onder redactie van M.Rappol. Uitgave Lingua Terra 1992. ISBN 90.74417.01.9.
 

Wie helpt? Omhoog

Klik hier om een e-mail aan Historisch Emmen te versturen Historisch Emmen zoekt altijd naar informatie.
Foto's, kranten, artikelen, advertenties, knipsels, stambomen, genealogie, alles is welkom.
Na digitalisering ontvangt u alles retour.
Help mee Historisch Emmen beter en vollediger te maken.