dot Home - start
dot Historie
dot Emmen centrum
dot Wijken buurten straten
dot Buitendorpen
dot Cultuur

dot Gemeente archief
dot Verenigingen
dot Wie helpt?

dot English Deutsch Français Español dot
De historie van Emmen in woord en beeld

 

 

Logo Historisch Emmen

Historisch Emmen toevoegen aan uw favorieten

blauwe lijn
dot Laatst gewijzigd dot Gastenboek dot Enquête dot Over deze site dot Sitemap dot E-mail dot

Historie: Emmen in de jaren 1000 t/m 1522: Omhoog


Inleiding: Omhoog

Met de Middeleeuwen wordt de tijdsperiode van 500-1500 na Christus bedoeld.

Tijdens de Middeleeuwen maakten de bisschoppen van Utrecht gedurende 500 jaar de dienst uit in Emmen. Deze bisschoppen hadden zowel kerkelijke als wereldlijke macht. Deze periode, die duurde van 1024 tot 1522, is een lange maar belangrijke periode in de geschiedenis van Emmen, want uit deze tijd stammen de heden ten dage oudst bekende vermeldingen.

In het jaar 918 werd Baldericus, die uit een rijk Betuws geslacht voortkwam, tot bisschop van Utrecht benoemd. In het jaar 950 ontving bisschop Baldericus goederen en grafelijke rechten van keizer Otto I van Duitsland. Eén van deze rechten bestond uit het jachtrecht op grootwild in het gebied waarin Emmen zich zou ontwikkelen. Deze grafelijke rechten gingen vervolgens over op nieuw benoemde bisschoppen.

In het jaar 1024 werd Drenthe, met toestemming van de bevolking, bij een giftbrief van 9 januari 1024, door de Duitse keizer Hendrik II aan de toenmalige bisschop Adelboldus van Utrecht geschonken. Dit betekende dat "de Oude Lantschap" Drenthe onder diens gezag kwam.

Om inkomsten te verkrijgen hieven de bisschoppen van Utrecht diverse vormen van belasting. Zo moesten de boeren "precariën", tienden en pachten aan de bisschop betalen. Een tiende was een historische belastingvorm die bestond uit het betalen van een tiende deel van de oogst, vee, etc. De belasting werd opgeslagen in een zogenaamde spieker, een voorraadschuur. Het woord spieker is een verbastering van het Latijnse "spica" dat graan betekent. De voorraadschuur was een "spicarium". Als de bisschop Emmen bezocht verbruikte hij samen met zijn gevolg een groot deel van de in de spieker opgeslagen "belastingen".

In de Middeleeuwen werd door de bisschoppen uit Utrecht ook een soort belasting geheven op gebruik van woeste gronden, de "schuldmudde". Deze is alleen bekend bij nederzettingen die ouder zijn dan de 10e eeuw. Uit deze schuldmudde kan derhalve bewoning worden afgeleid. De schuldmudde had kunnen helpen de grootte van Emmen te bepalen, maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld Noordbarge en Weerdinge is het heffen van de schuldmudde in Emmen niet bekend. Een verklaring hiervoor is mogelijk omdat de rentmeester er als dorpsgenoot directe controle over had. Het bodemarchief en rentmeesterrekeningen geven hierover geen uitsluitsel. Daarom vermoeden geschiedkundigen dat Emmen zeker niet meer dan 10 hoeven had, tegen 24 aan het einde van de Middeleeuwen.


1139, de oudste vermelding: Omhoog

Foto Historisch Emmen oorkonde uit 1139
De oudste vermelding van Emmen uit 1139.


Uitvergroting van vermelding boven.
"mansi in Emne"


Kaart bron: P.den Hengst.
Tekening naar Noomen 1990, 109 en Spek 2004, 106.
Zie ook boek "Groningen 1040" uitgave Profiel, p.109.
De percelen vormen een betrekkelijk aaneengesloten blokken waarin de contouren van het vroeg-middeleeuwse domeingoed zichtbaar zijn.
Geel: hofgrond (met hof)
Groen: weemland (met Weeme)
Lichtgroen: kerkeland (met kerk)


Op het grasveld stond ooit het politiebureau.
Op de achtergrond is het Marktplein.
Links ligt de Westenesscherstraat.
Dit gebied behoorde vroeger tot de hofgrond.
Foto: fam.Davids.


Hofgrond.....
Foto: © J.Withaar

De bisschop van Utrecht bezat vele hoeven in Drenthe, ook in de omgeving waar Emmen zou ontstaan. Deze hoeven werden volgens Waterbolk beheerd vanuit een hof (Latijn: curtis).

Een hofstelsel bestond uit hoven of hofboerderijen en andere boerderijen en boerderijtjes. Het geheel was (meestal) een soort grotendeels zelfvoorziende leefgemeenschap met hofleiding en horigen. De boerderijen en boerderijtjes werden "bestuurd" vanuit de hofboerderij. In een latere tijd werden de boerderijen en boerderijtjes verpacht, maar werden in de hofboerderij wel de opbrengsten bijgehouden van de pachters.

In vrijwel alle hofboerderijen was een voorziening waar de bisschop kon overnachten. Ook moest de hof er voor zorgdragen dat het de bisschop en zijn gevolg aan niets ontbrak. Zo moest er bijvoorbeeld (veel) eten en drinken aanwezig zijn maar ook verzorging voor de paarden en uitrusting. De groep rond de bisschop wist er wel raad mee en nam het er goed van. De hof had vaak een timmerman, smid en andere ambachtslieden die net als de pachters hand en spandiensten of herendiensten moesten verlenen.

Ook Emmen bezat een hof waar de bisschop van Utrecht met zijn gevolg kon overnachten. Over deze hof wordt wel gezegd dat het één van de oudste bisschoppelijke hoven in ons land was en dat deze hof mogelijk zelfs uit de tijd van Karel de Grote (768-814) zou kunnen stammen. Karel de Grote, die zichzelf in het jaar 800 tot keizer had uitgeroepen, bezat verspreid over z'n rijk een groot aantal hoven. Juist omdat de hof in Emmen ouder is dan veel andere bisschoppelijke hoven in ons land zou deze hof van keizerlijke afkomst kunnen zijn.

De hof in Emmen komt in oude stukken afwisselend voor als "Hoofdhof", "Edele Hof" en "Heerenhof". Bij deze hof zou een "reken - en rentekamer" hebben behoord. Nota bene: ook komt in oude stukken een/de "Saalhof" voor waarvan is vastgesteld dat die in de omgeving Julianastraat heeft gelegen.

De hof van de bisschop, de Heerenhof, moet ongeveer 200 meter ten westen van de Grote Kerk gelegen hebben. Bron: P.den Hengst 2014.

De Heerenhof was de plaats waar eeuwenlang de tienden, pachten, huren, cijnsen en tijnsen, die op de gronden van dat landgrond rustten en ten behoeve van de bisschop of het bisdom werden geheven, werden opgebracht. Bron: B.Lonsain, Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1927. Hij citeerde daarmee J.S.Magnin (Kerkelijke geschiedenis van Drenthe p.108). Hoewel de Heerenhof in deze streek als bergplaats van het in natura betaalde dienst deed werd het gebouw niet als spiker vermeld.

A.C.van Oorschot vermeldt in "Geschiedenis van Emmen" (p.42): "Emmen bestond in de late Middeleeuwen waarschijnlijk uit 24 boerderijen, die in de oude dorpskern gestaan moeten hebben rondom de herenhof, een lemen spieker omgeven door een wal en gracht."

Aan deze bisschoppelijke hoofdhof heeft Emmen zijn ontstaan te danken.

In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok staan de oudste vermeldingen over Emmen, vroeger Emne - Empne geheten. De oudste oorkonde (nummer 27) waarin van de hof te Emne (Emmen) sprake is, is een in de Latijnse taal gestelde brief van bisschop Andreas (1128-1139) uit het jaar 1139.

Bisschop Andreas (Andries van Cuijk, 1128-1139) schonk toen inkomsten uit Noord- en Midden-Drenthe aan de kerk te Oldenzaal. In ruil hiervoor ontving hij enkele hoeven te Emmen. Deze hoeven waren eerder door zijn voorganger, bisschop Godebald (1114-1127), voor ‘vrome doeleinden’ losgemaakt uit de hof van Emmen, maar werden nu weer onder de hoofdhof teruggebracht. De hoofdhof van Emmen bestond dus al toen Godebald bisschop was.

De Latijnse tekst van de oorkonde uit 1139 luidt:

"In nomine sancte et individue Trinitatis. Notum sit omnibus tam futuris quam praesentibus, qualiter ego Andreas, Dei gratia Trajectensis episcopus, dedi ecclesiae Oldenzalensi ad opus fratrum debitum altariorum, quod singulis annis presbyteri subscriptarum ecclesiarum in festo sancti Jacobi in Anloe solvunt pro concambio unius mansi in Emne, quem predecessor meus bone memorie dominus Godebaldus episcopus pro remedio anime Werneri dapiferi sui predictae ecclesie tradiderat."

"Volens igitur omne ratum esse, quod ipse pie fecit et ipsius saluti nostreque proficere, praefatum mansum, quem de curte nostra Emne acceperat, denariis prenominatis consilio fidelium meorum commutatum ab ecclesia redemi curtique restitui."

"Hee sunt ecclesie solventes hos denarios: Anloe solve octo untias, Bele octo untias, Vrees quatuor untias, Nurch duos solidos, Rothen duos solidos, Roterwolde duos solidos, Elde duos solidos."

"Ut autem hec nostra tradicio fratribus Oldensalensibus eorumque successoribus nunc et in posterum stabilis et inconvulsa permaneat, cartam hanc sigilli nostri impressione corroboratam in munimentum eis tradidimus. Acta sunt haec anno Dominice incarnacionis millesimo centesimo tricesimo nono, indictione quarta, anno primo regni Conradi secundi, episcopatus nostri undecimo."

"Hujus rei testes isti sunt: Hartbertus Majoris prepositus, Albero prepositus sancti Petri, Adelardus prepositus, Hugo prepositus sancte Marie, Lutbertus decanus sancti Martini, Arnoldus decanus, canonici; Simon, Leodricus, Henricus, liberi; comes Godefridus et frater suus Har-mannus, Franco de Deepnaham, Wernerus frater suus, ministeriales; Hugo de Honnorst, Fredericus scultetus, Otto de Runa, Bartoldus et Goswinus filius suus, Lidulphus de Oldenzeel et alii multi."

Getranscribeerd is de tekst als volgt:

"In naam van de heilige en ongedeelde drie-eenheid. Aan allen, nu zowel als in de toekomst, zij bekend dat ik, Andreas, bij de gratie Gods bisschop van Utrecht, aan de kerk te Oldenzaal, ten behoeve van de broeders die de zorg hebben voor de altaren, heb gegeven wat de priesters van de hieronder genoemde kerken jaarlijks op Sint Jacobsdag te Anloo betalen in ruil voor een boerderij te Emne, die mijn voorganger heer bisschop Godebaldus vromer nagedachtenis tot heil van de ziel van zijn hofmeester Wernerus aan voornoemde kerk had overgedragen."

"Willende dat al wat hij vromelijk gedaan heeft bekrachtigd zij en tot heil strekke van hem en van ons, heb ik voornoemde boerderij, die zij van onze hof te Emmen ontvangen had, op raad van mijn getrouwen, omgezet in de hierboven bedoelde geldsbedragen, van de kerk teruggekocht en aan de hof teruggegeven."

"Dit zijn de kerken, betalende deze bedragen: Anloo acht ons, Beilen acht ons, Vries vier ons, Norg twee schellingen, Roden twee schellingen, Roderwolde twee schellingen, Eelde twee schellingen."

"Opdat nu deze onze overdracht aan de Oldenzaalse broeders en hun opvolgers duurzaam en bestendig zij, hebben wij hun deze akte overgegeven, ter bevestiging bekrachtigd met de afdruk van ons zegel, gedaan in het elfhonderdnegenendertigste jaar van de vleeswording onzer Heren, het eerste jaar van het koningschap van Pondadas de Tweede, het elfde jaar van ons bisschopsambt."

"Getuigen zijn de volgenden: Hartbertus proost van het Domkapittel, Albero proost van Sint Pieter, de proost Adelardus, Hugo proost van Sinte Marie, Lutbertus deken van Sint Maarten, de deken Arnoldus, kanunikken: Simon Leodricus, Henricus, vrije mannen's de ambtenaar Godetridus en zijn broeder Harmannus, Franco van Diepenheim, zijn broeder Wernerus, bisschoppelijke dienaren's Hugo van Honthorst, de schulte Fredericus, Otto van Ruinen, Bartoldus en zijn zoon, Goswinus, Lidulphus van Oldenzaal en vele anderen."

Volgens professor Slicher van Bath (die veel onderzoek naar het hofstelsel in Nederland heeft gedaan) is in Drenthe het hofstelsel juist laat ingevoerd en daarom niet goed tot ontwikkeling gekomen en al vrij snel in verval geraakt. Daarom waren Drenten veel "vrijer" dan het volk in Overijssel waar nog zeer lang (soms tot ca. 1800) horigen waren. Boerderijen en soms ook de hof werden toen verpacht. Ambachtslieden werden in plaats van horig, vrije ondernemers alhoewel veel ambachtlieden een keuterij gepacht zullen hebben en zo in zekere mate toch weer "horig" werden.

Noot: In de Middeleeuwen werden belangrijke zaken in een zogenaamde oorkonde vastgelegd. Belangrijke zaken waren o.a. de verkoop van een boerderij of de betaling van de jaarlijkse pacht. Een oorkonde was in feite een schriftelijke vastlegging, vaak op perkamant, van een juridische handeling die rechtsgeldig werd door een waszegel. Veel oorkonden zijn vastgelegd in het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok.

Noot: Met Sint Jacobsdag [naar Ja(c/k)obus de Meerdere] wordt 25 juli bedoeld. Aan dezer dag zijn een groot aantal spreuken gewijd.


1228, Emmen in brand: Omhoog

middeleeuwen-1229
Otto van der Lippe gaat vechtend ten onder
tijdens de Slag bij Ane. Geschilderd door
Antonie Frederik Zürcher (1825-1876).
Foto: Licensed under Public domain
via Wikimedia Commons.

Van 1024 tot 1522 maakten de bisschoppen van Utrecht de dienst uit in Emmen. Het is een lange maar belangrijke periode in de geschiedenis van Emmen, want uit deze tijd stammen de heden ten dage oudst bekende vermeldingen waarin de naam Emmen voorkomt.

Dit hoofdstuk gaat over een brand in 1228 die geheel Emmen verwoestte.

De bisschoppen van Utrecht lieten zich niet tot weinig in Drenthe zien. Zij stelden drosten (landvoogden) aan die de zaken in het verre afgelegen Drenthe voor hen moesten regelen.

Eén van deze drosten was Rudolf III van Coevorden (1195-1229) die aldaar op het kasteel woonde. Coevorden was de toegangspoort tot het vrijwel ontoegankelijke Drenthe. Wie Coevorden bezat, bezat Drenthe. Het streven van Rudolf was onafhankelijkheid, dit geheel tegen de zin van bisschop Otto van der Lippe (Otto II).

Ook de invloedrijke familie Gelkingen uit de stad Groningen speelde een belangrijke rol in de strijd van de stad tegen de bisschop van Utrecht. Ook zij wensten zich niet te richten naar het gezag van de bisschop. Dit gezag werd voor de bisschop uitgevoerd door leden uit het geslacht Van Groenenberg. De laatste telg uit dit geslacht was Egbert van Groenenberg die een jarenlange strijd uitvocht met de volgelingen van de Gelkingen.

Rudolf van Coevorden schoot op zeker moment deze Gelkingen te hulp waarbij Rudolf van Coevorden de zetbaas van de bisschop, Egbert van Groenenberg, in eerste instantie verjoeg. Egbert van Groenenberg sloeg echter terug. Eén van die slagen waarbij de Gelkingers zich met de Drenten verbonden vond plaats op 15 augustus 1227 en staat bekend als de Slag bij Ane.

Bisschop Otto van der Lippe besloot zich er persoonlijk mee te bemoeien en riep vele edelen en bewapenden bijeen. Rudolf van Coevorden "bedachte die grote mogentheit des bisscops, brack sijn beset van Groningen ende satte sijn tenten bi dat dorp to Covorden ende bedachte, dat daer een breet onlant ende ene zudde lach, daer men niet lichte mochte overcomen". Bron: Cronike van den greven van Benthem.

Bij het dorpje Ane kwam het tot een uitbarsting waarbij de bisschop met een stoet van edelen, een groot ridderleger en veel voetvolk de heersers uit Coevorden tot orde wilde roepen. Het leger van drost Rudolf bestond uit een handvol mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards die liever tot de laatste druppel bloed wilden vechten, dan zich het bloed onder de nagels weg te laten halen.

Otto van der Lippe had echter niet op de gevaren van het veen gerekend. Gevaren die de plaatselijke bevolking beter kende dan wie dan ook. Paarden en geschut zakten weg in het moerassige veen. Vele ridders van het bisschoppelijke leger, meer dan 400 man sterk, kwamen om, waaronder bisschop Otto van der Lippe. In 1923 werd bij het graven van het kanaal Coevorden-Ane onder andere een zwaard en vechtnaald gevonden die jarenlang in de Oudheidkamer van Emmen waren te zien.

In diverse middeleeuwse kronieken zijn de namen van de gesneuvelden bij de Slag van Ane vastgelegd. Onder de gesneuvelden waren ook twee inwoners uit Emmen. Hun namen worden door de beschikbare bronnen verschillend geschreven:

  • Gerloch de Empe Bron: Wilhelm Nagge
  • Gerlich ende Derck van Empne Bron: Antonius Matthaeus
  • Gerlach ende Derck van Empre Bron: Gerhard Dumbar
  • Gerlacus & Theod. de Empne Bron: Cronike van den greven van Benthem

Hedendaagse bronnen vermelden dat het gebroeders waren, andere bronnen melden vader en zoon. Ook wordt vermeld dat zij op dat moment de pachters waren van "het Heerenhoff tot Empne", de hof van de bisschop. De historische bron(nen) van bovenstaande is niet bekend.

Na het grote verlies bij Ane jammerde, klaagde en huilde de geestelijkheid van Utrecht "omdat vanaf het begin der tijden tot op onze dagen nog niet gehoord is van zo’n onmenselijke slachting als de Coevordenaren en de Drenten hebben aangericht tegen de bisschop en zoveel hierboven genoemde edele ridders en ministerialen van de kerk." Bron: Quedam Narracio.

Daarna verkoos het Willebrand, bisschop van Paderborn, heer van de Herdenbergh (een slotstee waar Hardenberg naar is vernoemd), als opvolger. Hij moest de dood van Otto van der Lippe wreken.

Willebrand viel met een talrijk leger op/omstreeks Sint Hiëronimusdag (30 september 1228) op zes verschillende plaatsen Drenthe binnen. Rudolf zag in dat hij hier niet tegen opgewassen was en gaf zich op 10 oktober 1228 over.

Bij één van die aanvallen werd geheel Emmen, "totum Emne", platgebrand en verwoest. Een monnik of notulist in de nabijheid van de bisschop maakte hiervan in 1232 melding in de Quedam Narracio: "aan de zuidkant zijn de Twentse ridders onverschrokken bij Coevorden Drenthe binnengetrokken. Ze hebben heel Emmen geplunderd en platgebrand, maar ze hebben daar niet doorgezet."

Van deze brand in 1228 zijn tijdens onderzoek in de Grote Kerk brandsporen teruggevonden in een oude lemen vloer van de derde houten kerk die op dezelfde plek heeft gestaan. Bron: Masterscriptie P. den Hengst 2012.


Oorkonde uit 1313: Omhoog

Foto Historisch Emmen oorkonde 1313
Oorkonde uit 1313.
Collectie J.J.Brands

Van 1024 tot 1522 maakten de bisschoppen van Utrecht de dienst uit in Emmen. Het is een lange maar belangrijke periode in de geschiedenis van Emmen, want uit deze tijd stammen de heden ten dage oudst bekende vermeldingen waarin de naam Emmen voorkomt.

Dit artikel gaat over een oorkonde uit 1313 waarin de naam Emmen voorkomt.

Volgende de oorkonde uit 1313 werd de bisschoppelijke hof in Emmen in erfpacht gehouden door Henricus en Albertus, zonen van Gerardus en horigen der kerk te Utrecht.

Op 7 augustus 1313 verklaarden zij de bisschoppelijke hof van de bisschop te hebben gepacht tezamen met de akkers, weilanden, hooilanden, venen en bossen, zowel ontgonnen als onontgonnen. Noot: van 1301 tot 1317 was Gwijde van Avesnes bisschop van Utrecht.

Zij verplichtten zich de bisschop, tezamen met een metgezel en twee paarden, viermaal per jaar onderdak te zullen verlenen. Als huur voor het gebruik van de hof dienden zij 80 mud koren, enig hout, eikels en palingen betalen. Bron: NDVA 1927

Als hofhorigen was het Henricus en Albertus verboden om zelf land in bezit te hebben of ander land te gebruiken dan dat van hun leenheer. (bron: mr. A.S. De Blécourt p.519) Het land mocht volgens B.Lonsain (NDVA 1927 p.73) wel worden gesplitst. Dat geschiedde ook want de rentmeester der domeingoederen, Johan Renoy beschrijft in 1550, behalve 't Heerenhof, ook het Mouwengoed te Emmen: "dat met het voorn. Herengoet offte hoff twijer broeder scheijdinge iss." De Heerenhof vormde kennelijk ooit een geheel met het Mouwengoed maar werd later gesplitst. Beide werden separaat verpacht, in kleine stukjes aan diverse lieden.

Later zijn hieraan administratief verschillende eigendommen toegevoegd en wel die gelegen te Noordbarge, Westenesch en Weerdinge. Bron: NDVA 1927 p.73

De Latijnse tekst van de oorkonde van 1313 luidt:

"Universis, ad quos presentes littere pervenerint, nos, Henricus et Albertus, fratres, filii Gerardi, meyeri in Emne servi ecclesie et . . episcopi Trajectensis, notum facimus in hiis scriptis, quod nos a domino nostro episcopo Trajectensi recepimus in conductione curtim suam in Emne cum omnibus agris, pascuis, pratis, paludibus, nemoribus, cultis et incultis, pro quadraginta modiis siliginis hyemalis, viginti modiis siliginis estivalis, viginti modiis avene, pro dimidietate omnium lignorum et glandium, que evenire poterint, et tribus stigis anguillarum , solvendis dicto domino nostro . . episcopo vel suo . . officiate annuatim, prout alii meyeri suis dominis in Drenthia solvere consueverunt. Item . . officiatum ejus una nocte cum uno socio cum duobus equis quater in anno sub nostris expensis hospitabimur. Agros eciam nostros proprios sitos in marka Emne infra sex annos a data presentium vendemus aut permutabimus extra illam markam, ne cum agris curtis eos permiscere possimus. Alioquin extunc omnes agri nostri habiti et habendi in marka Emne attinebunt curti predicte, negotia etiam domini nostri . . episcopi et suorum . . officiatorum promovebimus, prout hactenus est consuetum, edificia dicte curtis edificabimus et reparabimus. Et hec conductio est heriditaria, dummodo heredes nostri servilis conditionis existant . . ecclesie et . . episcopo Trajectensibus, et dictam curtim et bona predicta eidem attinentia in duas partes equaliter et non ultra dividere possumus. Et si nos vel heredes nostri quocunque casu contingente ipsam curtim colere noluerimus aut non potuerimus seu predicta annuatim non persolverimus, sepedicta curtis cum omnibus suis pertinenciis et edificiis libere et absolute ad dictum nostrum . . episcopum et suam ecclesiam divolvetur. In cujus rei testimonium sigillum Reynaldi de Covorde ac sigillum terre Drenthie presentibus litteris apponi rogavimus. Et nos, Reynoldus de Cove de et universitas terre Drenthie, ad preces predictorum Henrici et Alberti sigilla nostra presenitibus litteris duximus apponenda. Datum anno Domini MCCC tercio decimo feria tercia post beati Petri ad Vincula."

Bron: Oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok, nummer 244.


Oorkonde uit 1327: Omhoog

Van 1024 tot 1522 maakten de bisschoppen van Utrecht de dienst uit in Emmen. Het is een lange maar belangrijke periode in de geschiedenis van Emmen, want uit deze tijd stammen de heden ten dage oudst bekende vermeldingen waarin de naam Emmen voorkomt.

Dit artikel gaat over een oorkonde uit 1327 waarin de naam Emmen voorkomt. Het betreft hier een oorkonde "in vidimus" uit 1471 waarin wordt vermeld: "Bartoldus in Empne".

Noot: In vidimus komt van het Latijnse "wij hebben het gezien". Het betreft een oorkonde waarin een bevoegde autoriteit een verklaring aflegde over de inhoud van een eerdere oorkonde die zij ooit eerder hebben gezien. Deze eerdere oorkonde was overeenkomstig met de na de verklaring volledig afgeschreven tekst. Een vidimus kan dus beschouwd worden als een niet-geautoriseerd afschrift ofwel een kopie.

In deze oorkonde doen vijf Drentse pastoors, waaronder Bartoldus uit Emmen, uitspraak in een geschil tussen ingezetenen van Weerdinge en "den proost" en het klooster van Schildwolde:

"Nos Bartoldus in Empne, Fredericus in Rotlo, Johannes in Borghere, Remboldus in Oderen, Rodolphus in Gheyten, ecclesiarum rectores ad universorum presencium et futurorum noticiam cupimus pervenire lucide protestando, quod causam, quam cives de Weerdighen moverunt domino preposito et conventui de Schildwolde super palude, sita in marka de Werdighen juxta Roeswinkel, in nos compromissam, terminavimus in hunc modum, quod prepositus et conventus predicti pro palude a ponte, posito super fluvium Ruetna, linealiter usque in medium versus fluvium Musla usque ad justum terminum marke de Weerdighen et domus in Hare CVI marcas Osnabrugenses integraliter persolverunt et solvent civibus predictis in perpetuum annuatim in die Philippi et Jacobi apostolorum beatorum pro pacto sub pena dupli in villa Weerdighen tres solidos brunorum sterlingorum vel pecuniam his equivalentem. Quod si neglectum fuerit, cives predicti in eadem palude sine contradictione, molestacione, defensione et actione prepositi et conventus predictorum tres solidos sterlingorum in duplo expandabunt, civesque predicti dominum prepositum et conventum predictos indempnes secundum consuetudinem terre Trentye in eadem palude conservabunt propriisque defendent laboribus et expensis. In quorum omnium testimonium et perpetuum munimen presens scriptum inde confectum sigilli terre Trentye una cum sigillis nostris est munitum. Datum anno Domini MCCCXXVII die Processi et Martiniani martirum beatorum. Superscriptionem notitiam approbamus. Datum ut supra."

Bron: Oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok, nummer 311.


Oorkonde uit 1362: Omhoog

Van 1024 tot 1522 maakten de bisschoppen van Utrecht de dienst uit in Emmen. Het is een lange maar belangrijke periode in de geschiedenis van Emmen, want uit deze tijd stammen de heden ten dage oudst bekende vermeldingen waarin de naam Emmen voorkomt.

Dit artikel gaat over een oorkonde uit 1362 waarin drie namen van boerenerven voorkomen staande in Emmen, Weerdinge en Westenesch:

  • Alckinchuus tot Waerdingh.
  • Hummeldinckhuus tot Empne.
  • Alckinchuus tot Westenesche.

In deze oorkonde keuren Arnout Huus, Lamme, zijn vrouw en Wibbe en de weduwe van Wermoldts van Gasselt, de stichting goed van een vicarie in de kerk aldaar, en de ten behoeve daarvan door wijlen Wermoldts gemaakte beschikkingen:

"Wy,Arnout Huus, Lamme, mijn trouwe wijff, ende Wibbe, wedwe Wermoldts van Gasselt, daer Godt die ziel af hebben moet, maken condt ende kennelijck allen luyden, die desen brieff sullen sien off horen lesen, dat Wermoldt van Gasselt voirn.

Gegeven hevet ende gaf met gesonden lieve ende met vrien wille in rechten testament ende om zalicheydt syne ziele ende alle syne vriende, die recht lohn daeraf hebben sullen, ende wy mede volgen, des die daer rechte erffgenahmen toe sijn, in der kercken toe Gasselt tot een outare, dat geconsecreert is in sijnte Nicolaes ehren ende sijnte Catharynen, vertich mudde sades Groninger mate, welek en doerende, ende des voorseyden sades zijn dartich mudde roggen en tien mudden haveren moltes tot eens priesteren behoeff, die daermede gerhentet zy ende daerom sal missen doen ende bidden voor dieghene, daer hy recht schuldich is voor te bidden.

Ende dese voorseyde renthen sijn gelegen: int erve Oversmeedinchuus to Wune twaelff mudde roggen ende twee mudde moltes; item acht mudde moltes over drie acker landes tot Gasselt, ende die soeven mudde leggen over die twee acker, die geheten sijn die Bergacker, ende die ander hetet Opperlapsate; ende dat achte mudde moltes leget op eenen acker van Tebinckhuus; item op Alckinchuus tot Waerdingh soeven mudde roggen; item op Alberthuus tot Zweberghen vier mudde roggen item op Hummeldinckhuus tot Empne vijff mudde roggen; item op Alckinchuus tot Westenesche twee mudde rogge. Item eene hoffstede tot Gasselt. Item so is daertoe gegheven alsoeveele erves tot Gasselt, dat wel doen magh jaerlix tien mudde roggen. En want Wermolt, daer Godt die ziel af hebben moet, voerschreven dese voirn. renthen en goede besproken ende gegeven heft, so doen wy, Arnout, Lamme ende Wibbe, erffname Wermoldt voorseydt, onssen consent daertoe ende onssen vryen willen, welcken daermede voor ons ende onssen naecommelinge, behoudelijck ons ende onssen naecommelinge die giffte des voors. outaers. Ende opdat dit vast ende stede blyve, so heb ick, Arnout Huus voirn., mynen segell aen desen brieff gedaen. Ende wy, Lamme ende Wibbe voers., oirconden ende getuygen ende volgen met onssen vryen willen ende consent alle voors. saken, also als zy geschreven sijn, ende tuygen dat onder Arnout Huus segell voorseydt, want wy selve gheene segelen hebben. Gegeven int jaer onses Heeren duysendt dryhondert twee ende sestich des vijften daghes in May."

Bron: Oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok, nummer 513.


Oorkonde uit 1374: Omhoog

Van 1024 tot 1522 maakten de bisschoppen van Utrecht de dienst uit in Emmen. Het is een lange maar belangrijke periode in de geschiedenis van Emmen, want uit deze tijd stammen de heden ten dage oudst bekende vermeldingen waarin de naam Emmen voorkomt.

Dit artikel gaat over een oorkonde gedateerd 27 juni 1374 waarin Johannes van Altavilla, proost en aartsdeken van St.Marie te Utrecht, Jacobus van Sleen opdraagt Nicolaus, pastoor van Zweeloo en Albertus, koster in Emmen, te dagvaarden.

Op de vierde regel staat vermeld: "et Albertum, custodem in Emne". Vertaald: "en Albertum, beschermheer in Emne"

Bron: Oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok, nummer 620.
Bron: Arch. Abdij Dikninge, inv.nr.72, reg. 93

Foto Historisch Emmen oorkonde 1374


Oorkonde uit 1376: Omhoog

Van 1024 tot 1522 maakten de bisschoppen van Utrecht de dienst uit in Emmen. Het is een lange maar belangrijke periode in de geschiedenis van Emmen, want uit deze tijd stammen de heden ten dage oudst bekende vermeldingen waarin de naam Emmen voorkomt.

Dit artikel gaat over een oorkonde uit 1376 waarin twee boerenerven worden genoemd die in het kerspel Emmen lagen:

  • Smedinghehuys.
  • Scultingheshuys.

Ich, Johan, heer van Runen, ridder, bekenne dat in dessen openen brieve, dat ich mit mynen gueden vrien willen unde met volboert mijnre rechter erfghenamen hebbe vercoeft drie unde veertichstehalf Groninc mudde rogghen unde een half scat rogghen gulden jaerlikes pachtes, alle jaer te boeren unde te betalen alse een lantrechte is in Drenthe, unde my anghecomen sijn van dode Ecbertes van Peyse, heren Ecbertes soen, den God ghenedich sij, alse over Smedinghehuys tyen Groninc mudde rogghen unde over Scultingheshuys vyef Groninc mudde rogghen, de gheleghen sijn in der buerscappe unde in en kerspel tot Empne, unde voert over Bebingheguet ses Groninc mudde rogghen, over Wemeringhehuys eens halven scat min dan een Groninc mudde rogghen, over Hoevyngheguet vyef Groninc mudde rogghen unde een verendeel rogghen, over Alferdingheguet ses Groninc mudde rogghen, over Tammyngheguet IIII Groninc mudde rogghen, over Ubbekingheguet drie Groninc mudde rogghen unde over Dillingheguet derdehalf Groninc mudde rogghen, de gheleghen sijn in der buerscappe tot Exle unde in den kerspel van Oderen, um een summe van ghelde, de my witteliken unde wal betalet is, Johanne Vos van Stenwijch, Arnde Huys unde horen rechten erfghenamen te besittene unde te bruyken erfliken unde ummermeer, voer my unde voer mijnen rechten erfghenamen. Welke mudde vorg. wy hem upghelaten hebben unde daervan verteghen hebben erfliken unde ummermeer unde legheden hem daervan den stoc under den bueren tot Empne unde tot Exle, daer desse vorg. mudde gheleghen sijn, alse een lantrecht is in Drenthe, unde soelen hem derre waren erfliken voer my, voer mynen rechten erfghenamen unde voer alle deghene, de des to rechte comen willen to rechten Drentschen lantrecht, sunder yenegherhande arghelijst. In orcunde unde rechten tughe desser dinch soe heb ich, Johan, heer van Runen vors. mijn seghel an dessen brieve ghehanghen voer my unde voer mynen rechten erfghe-namen vors. Ghegheven in den jaer unses Heren dusent driehundert ses unde tseventich up sunte Wolburghenavonde.

Bron: Oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok, nummer 641.


Leenmannenregister 1379-1384: Omhoog

Foto Historisch Emmen leenmannenregister 1379-1384
Leenmannenregister 1379-1384.
Collectie Brands.

Van 1024 tot 1522 maakten de bisschoppen van Utrecht de dienst uit in Emmen. Het is een lange maar belangrijke periode in de geschiedenis van Emmen, want uit deze tijd stammen de heden ten dage oudst bekende vermeldingen waarin de naam Emmen voorkomt.

Dit artikel gaat over het leenmannenregister welke is aangelegd tussen omstreeks 1379 en 1384.

In de laatste decennia van de veertiende eeuw legden de Utrechtse bisschoppen registers aan van hun dienstmannen en de goederen en rechten die ze aan deze dienstmannen [leenmannen] hadden geleend.

In ruil daarvoor moesten deze leenmannen bestuurlijke, rechterlijke of militaire taken verrichten.

De leenman legde aan zijn leenheer een leeneed af waardoor hij zich verplichtte tot trouw aan zijn heer. De leenheer bood hem vervolgens bescherming en een leengoed als bron van inkomsten. Deze leengoederen werden al spoedig beschouwd als een erfelijk recht van de leenman en zijn nakomelingen.

Een leenman kon ook zelf weer als leenheer optreden door taken te delegeren en daarvoor goederen in leen te geven. De bisschop van Utrecht oefende o.a. de grafelijke macht in Drenthe uit als leenman van de Duitse koning. Daarnaast fungeerde hij als leenheer van de prefect van Groningen en de drost van Coevorden. Bovendien had hij een groot aantal van zijn goederen, rechten en andere inkomsten (de tienden) in Drenthe uitgegeven aan leenmannen.

In 1528 droeg Hendrik II van Beieren, bisschop van Utrecht van 1524-1529 zijn landsheerlijke rechten over aan keizer Karel V.

Foto Historisch Emmen leenmannenregister 1379-1384

In het leenmannenregister van 1381 wordt slechts één naam van een leenman in het kerspel Emmen vermeld: "Henric Germinghe hout Germynghehuys in der buerscap to Berghe in den kerspel van Empne".

In de buurtschap Barge, gelegen in het kerspel Emmen, bevond zich derhalve een boerenerf met de naam:

  • Germynghehuys.

Bron: Leenmannenregister 1379-1384. Collectie Brands.


Schattingslijst uit 1450: Omhoog

De schattingslijst uit de 15e eeuw is een lijst waarop 700 "belasting betalende" Drenten voorkomen. De meningen verschillen over de datering van de lijst, maar varieert tussen de jaren 1430 en 1475. Deze lijst is door historici vergeleken met de ordelen [vonnis] van de etstoel uit de 15e eeuw. Zij dateren de lijst omstreeks 1450 met een marge van 20 tot 30 jaar.

In de lijst staan de namen van de bewoners/gebruikers van erven en de keuters. Volle erven werden aangeslagen voor twee schild, keuter voor één schild. Adellijken, pastorieën, kosterijen, e.d. ontbreken in de lijst omdat zij mogelijk waren vrijgesteld van het betalen der belasting. Ook arbeiders en zij die geen boerderij bewoonden en de daarbij horende grond gebruikten werden niet op de lijst opgenomen.

De belasting werd vrijwel zeker door de bisschop van Utrecht geheven. Het was geen persoonlijke belasting maar betrof een landschatting. Een eigenaar van "een vol erf" moest twee schild [een muntsoort ingevoerd in 1337] betalen. Een koter [keuter], met veel minder land, één schild.

Foto Historisch Emmen schattingslijst 1450

Emne [lijst met volle erven]
Item Rolof Wrensing 2s
Item Wyllem Brandinge 2s
Item Roloff Havynges 2s
Item Gert Lusinges 2s
Item Willem Nyen Rasing 2s
Item Willem Smeding 2s


Emne [lijst met keuters]
Item Lubbert Smyt 1s
Item Rolef Stuve 1s
Item Wolter Havync 1s
Item Ghert Scroder eyn 1s
Item Jan Stuve 1s
Item Rolef Hont 1s
Item Alpher van Schalchwijck 1s

Noot: De namen zijn zoveel mogelijk letterlijk weergegeven maar aan huidig gebruik aangepast.


Oorkonde uit 1471: Omhoog

In het oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok, staan de oudste vermeldingen met de naam Emne - Empne.

In de oorkonde van 1471 wordt vermeld: "Bartoldus in Empne".

Deze oorkonde betreft een oorkonde "in vidimus" uit 1327.

Noot: In vidimus komt van het Latijnse "wij hebben het gezien". Het betreft een oorkonde waarin de oorkonders een vanuit hun functie (bijvoorbeeld een bevoegde autoriteit) verklaring afleggen over de inhoud van een eerdere oorkonde die zij ooit eerder hebben gezien. Deze eerdere oorkonde was overeenkomstig met de na de verklaring volledig afgeschreven tekst. Een vidimus kan dus beschouwd worden als een niet-geautoriseerd afschrift ofwel een kopie. Een authentiek afschrift van een akte heet met een verouderde term transsumpt.


Het bestuur van Emmen: Omhoog

Een kerspel (karspel, carspel of carspil) was de oorspronkelijke benaming voor kerkgemeente of parochie en werd omstreeks de 16de eeuw ook gebruikt voor wat in 1811 de "burgerlijke gemeente" zou gaan heten. Bij de vorming van de Nederlandse gemeenten door Napoleon in 1811 werd in vele provincies het kerspel als eenheid voor gemeente gebruikt, waarbij de nieuwe gemeente één of meer kerspelen omvatte.

Een kerspel werd bestuurd door een schulte die tevens voor de openbare orde zorgde. Een schulte was een soort burgemeester, politieagent, rechter en notaris in één. Emmen deelde van omstreeks 1540 tot aan de instelling van de Bataafse Republiek (ongeveer 1791) de schulte met de kerspelen Odoorn en Roswinkel.

Gedurende het bisschoppelijk bestuur werd een schulte aangesteld door de bisschop. Na 1522 werden de schultes benoemd door Karel van Gelre die van 1522 tot 1536 over Drenthe heerste. Zijn opvolger, Karel V, stelde een stadhouder aan die toen de schultes benoemde.

Om schulte te worden moest men een rasechte Drent zijn. "Geen uitheemsche Man magh Schulte of Onderschulte in den Lande Drenthe wezen, ten ware hij zonderlinge, tot hetzelve Ampt ware gequalificeert; maar wordt verstaan dat steeds een Ingezeten, gelijk bequaam zijnde, voor een uitheemsche praeferentie zal genieten".

Vermeldingen van schultes in het kerspel Emmen tot 1522 zijn (o.a.):

Naam schulte datum tekst bron

Roleve Busingen 18 juni 1471 "....Roleve Busingen Schulte to Empne....."

betreft scheiding deel van marke Weerdinge

KTA
inv.nr.0025
reg.22
Roloff Husingh
Roloff Husinck
25 oktober 1472 "....Roloff Husingh in der tyt Schulte to Empne...."

betreft 2 stukken land ‘up ter Essche to Empne dat ene by den Gronen walle dat ander by Weyken Lipschen acker noirtwert geleghn'

KTA
inv.nr.1, fol.019r
reg.25
Roloff Husingh
Rolef Husinghe
19 januari 1482 "....vor den buren van Empne als bynamen Roleff Husinghe...."

"....vorscr. gebeden Roloff Husingh in der tyt Schulte ... Empne...."

betreft olde Rosinghe erve 'soe dat geleghen is onder der clocken toe Empne'

KTA, inv.nr.9
reg.53
Roloff Husingh 22 februari 1486 "....Roloff Husingh in der tyt Schulte to Empne...."

betreft de Cruceacker, de Wochlanghe en de Hoffacker, 'gelegen in de marcke unde essche to Berghe unde onder der clocken to Empne'

KTA
inv.nr.1, fol.021v
reg.63

Egberte ten Dyke 12 mei 1488 "....Egberte ten Dyke in der tyt scholte tho Empne....."

betreft verkoop Wrensinghe erf te Zuidbarge

KTA
inv.nr.1, fol.035r
reg.68
Egbert in den Hoff 20 december 1491 "....Egbert in den hoff indertyt scholte toe Empne...."

betreft twee erven in de buurtschap van Empne, Olde en Nije Rosinck

KTA, inv.nr.9
reg.92
Egbert Dyckes 20 februari 1494 "....Egbert Dyckes schulten to Empnen...."

betreft verkoop Knechteringhe erf te Zuidbarge door Hinrich Stuven

KTA, inv.nr.10
reg.101
Egbert ten Dijck 5 april 1498 "....Egbert ten Dijck, schulte van Emmen Odoren en Roswinckel...."

In verband met de markescheiding tussen Valte en Weerdinge in 1476.

Joosting
Afschrift 17e eeuw inv.nr.168
Egbert in den Hoff 11 juli 1499 "....Jacob ten Hoern en zijne huisvrouw Katherine Knigge, bekennen dat zij aan Jacob van Wynckel prior en ghemenen convente te Apel hebben verkocht tyen mudde roggen jaerliker eweliker rentens Groninger mathe over nije Rosinge-erf te Empne vor honderd Davidsgulden en vijf ellen Leydsen lakens."

Betreft nije Rosinge erf te Empne.
Het zegel van Egbert in den Hoff is verloren gegaan.

KTA, inv.nr.9
reg.114
Mantingh schreef over Egbert ten Dijk dat de naam in den Hoff verband hield met zijn woongelegenheid. Hij zou volgens Mantingh binnen de wal of dijk van de Saalhof hebben gewoond, tegenwoordig omgeving Julianastraat.

Ghert Stuven 10 mei 1500 betreft verkoop van hooiland gelegen 'up de beke tuschen Berge unde Schoenebeeck gheheten de Kolcmade ghelegen an de zuuydvester zyd an Khechteringe kolck maed' KTA, inv.nr.1, fol.035v
reg.116
Ghert Stuven 19 januari 1504 voorkomende namen: buren van Berge Johan Sickinge en Willem Alberdinck KTA, inv.nr.1, fol.068r
reg.127
Ghart Stuven 20 januari 1504 betreft verkoop akkerland, Oesterhoerns geheten, onder Zuidbarge KTA, inv.nr.1, fol.068v
reg.128
Ghert Stuven 4 maart 1510 betreft verkoop Boterakker door Johan Meyerinck uit Westenes. Voorkomende namen: de buren van Emmen Henrjtck Duerdynck en Meerten Hovynck. KTA, inv.nr.11
reg.146
Ghert Stuven 24 april 1510 betreft verkoop landerijen, Huysinghe Luttike Haman geheten, door Tye Brynkynck, Tye Suerynck Telpe en Roleff Bettynck uit Emmen. KTA, inv.nr.1, fol.066r
reg.149
Ghert Stuven 17 maart 1512 betreft verkoop van een deel van het Moltinge erf. Voorkomende namen: Luttyken Scheetcamp, Luttyken Bueracker, Breenacker, Meeracker, Hoeckacker, Bree, Hornynges erf, Daem Hemynge, Campers erf, Emmer Roene, Rosinghes erf, Hovynghe erf, de buren van Emmen Hynrick Durdynck, Mensen Hovynck KTA, inv.nr.1, fol.014r
reg.157
Ghert Stuven 17 maart 1512 betreft verkoop diverse landerijen. Voorkomende namen: Luttyken Scheetcamp, Luttyken Bueracker, Breenacker, Meeracker, Hoeckacker, Bree, lutyken Onder Loe, Hornynge erf, Daen Hemynge, Campers erf, Rosinghe erf, Hovynghe erf, de buren van Emmen Hynrick Durdynck en Mensen Hovynck KTA, inv.nr.112
reg.156
Gherd Stuven 30 april 1513 betreft verkoop van hooiland in de marke van Barge. Voorkomende namen: Johan Segerinck en Inghen Fockynck te Barge.
Wynresche maen
KTA, inv.nr.1, fol.075v
reg.162
Ghert Stuven 16 januari 1516 betreft nalatenschap te Roswinkel KTA, inv.nr.1, fol.087v reg.171
Gherd Stuven 4 oktober 1516 betreft verkoop erf Olde Huysinck door Johan Gerdes 'olde Huysinge sone' te Zuidbarge Roleffe zijn oom. KTA, inv.nr.1, fol.083r
reg.174
Ghert Stuven 6 november 1516 betreft verkoop erf Olde Huysinck door Roleff Olde Huysinge te Zuidbarge. Voorkomende namen: Ghert Stuve en Roleff Nyenhuysinge beide buren in Barge. KTA, inv.nr.28
reg.176
Ghert Stuven 8 november 1516 betreft verkoop land onder Roswinkel KTA, inv.nr.1, fol.085r
reg.177
Ghert Stuven 6 november 1520 betreft verkoop van Bleerdynck erf te Zuidbarge. Voorkomende namen: Gheze Blerdynck en Lajnme zijn zus, Johan Syckynck en Roleff Alberdynck beide buren in Barge. KTA, inv.nr.26
reg.188
Johan Stuve 8 oktober 1527 betreft Willem, Johan en Hebele Rabberynck en hun moei Aleyd Uuyssinck.
Voorkomende namen: de Roetacker in Zuidbarge en de Steenakker in Emmen
KTA, inv.nr.1, fol. 091r
reg.194
Van 19 januari 1504 tot 20 januari 1504 zegelde Geert Stuven zonder dat werd vermeld dat hij schulte was. Van 11 maart 1508 tot 8 oktober 1527 werd dat wel vermeld. Bron: Joosting 1910, B.Emmens in DGJ 2007

In 1518 kreeg Geert Stuve zijn schultambt opgedragen door Philips van Bourgondië (1464-1524). Filips was admiraal der Nederlanden van 1498 tot 1517 en bisschop van Utrecht van 1517 tot 1524 en werd uit politieke overwegingen als bisschop aangesteld door keizer Karel V. (Wie kent de bron?)

Op 14 mei 1540 werd Ghert Stuve door Johan baron van Zelbach, sculte te Emne, Oren ende Roswynckel als overleden genoemd. Bron: Klooster Ter Apel, inv.nr.28, reg.212.

Geert Stuve werd genoemd als mede-ondertekenaar van een besluit van 25 september 1516 (regest 21, Joosting) als schulte van Emmen en Roswinkel. Het besluit was een scheidsrechterlijke uitspraak op St.Michiels-avond 1516 in het geschil tussen de buren van Weerdinge en die van Roswinkel over de grens van hun marken. Afschrift 17e eeuw (inv.nr.185).

Noot: ook in de schattingslijst van 1450 komt de naam Stuve voor. De naam Stuve werd geschreven als Stuue. De huidige letters u en v werden destijds anders gebruikt.


1522, een nieuw tijdperk: Omhoog

In de bisschoppelijke tijd was er veel handel tussen het graafschap Bentheim, het sticht Munster en Groningen. Vooral Coevorden heeft van deze handel kunnen profiteren. De handel ging in stokvis, traan boter en kaas naar Bentheim en Musterland en in zandsteen, hout, rogge wol, ham, canvas en dergelijke in omgekeerde richting.

Hoge tolheffingen bij Coevorden, de verdere strijd tussen de drosten en bisschoppen, die klaagden dat de Drenten de bisschoppelijke belastingen niet wilden betalen en zich niet stoorden aan de rechten van de bisschop en goederen die de bisschop toebehoorden kochten en verkochten alsof het hun eigen goederen waren, belemmerden een verdere ontwikkeling.

Aan het einde van de 14e eeuw (1397) zag de toen heersende bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim, kans het gezag weer enigszins te herstellen. De opmars en autonomie van Drenthe kon hij echter niet meer terugdraaien. Aan de sterk op rechten staande Drenten, waarvan gezegd wordt "dat het goede onderdanen maar slechte slaven zijn", moest de bisschop het behoud van de bestaande rechten waarborgen. Dit geschiedde middels het Drents Landrecht uit 1412.

De bisschoppen die Frederik van Blankenheim opvolgden lieten zich zelden in Drenthe zien en hun gezag brokkelde langzaam weer af.

In 1514 behoorde Drenthe nog tot het bisdom Utrecht, maar begon de invloed van Karel van Egmont, de hertog van Gelre, in de noordelijke provincies. Hij was te hulp geroepen door graaf Edzard van Oost Friesland die dit landsdeel verbonden had met George van Saksen, hertog van Saksen van 1500-1539. De hertog van Saksen wilde in 1514 zijn gezag ook uitoefenen in Groningen. De strijd van George van Saksen bezorgde de Friezen echter hoge kosten waardoor deze de hulp inriepen van Karel van Egmont. Deze vergrootte hiermee zijn invloed in het noorden ten koste van de bisschop van Utrecht, maar trad nog niet openlijk tegen hem op. Toen ook Zwolle de hulp van Karel van Egmont inriep, omdat de stad meende dat de bisschop de stad Kampen voortrok in een onderling geschil, rook de hertog zijn kans. Hij trok richting Zwolle waarbij, na een hevige strijd, op 12 september 1522 ook Coevorden werd ingenomen.

Frederick van Twickelo, de laatste drost in dienst van de bisschoppen, moest zijn ambt gedwongen afstaan aan Johan van Selbach die door Karel van Egmont, de nieuwe heerser over Drenthe, werd aangesteld.

Karel van Egmont, de hertog van Gelre werd in 1522 de nieuwe landsheer van Drenthe, en dus ook Emmen, waarmee het tijdperk van bisschoppen, dat van 1024 tot 1522 had geduurd, eindigde.


Bronvermelding: Omhoog

  • "Zuidoost Drenthe op weg naar een nieuwe toekomst deel I" door H.T.Buiskool.
  • "Jij bent een deel van de geschiedenis" door A.Geluk - Bleumink en J.Pool.
  • "Rondom de Heerenhof, historische balans van Emmen, een stad vol dorpen in het jaar 2000", door G.de Leeuw.
    Uitgeverij Drenthe, Beilen. ISBN 90-75115-29-6.
  • "Reuvens in Drenthe", door J.A.Brongers. Uitgave ROB, ISBN 90-228-3925-7.
  • "Geïllustreerde plaatsbeschrijving gemeente Emmen".
  • Historisch Centrum Overijssel, inv.nr. AAZ.01.1252.
  • Drents Genealogisch Jaarboek 1997, R.Alma p.62-77.
  • De geschiedenis van Drenthe p.87.
  • S.G.Hovenkamp.
  • T.Engelsman, Kroniek september 2009: Transport over water rond 1600, blz. 22, 1e kolom en noot 7.
  • Rentmeesterrekening der domeinen OSA 1777, 1598, 1650 en tussenliggende jaren.
  • Rentmeesterrekening van Renooy van 1550 (Drostenrekeningen, Drents Archief inv. 0023, item 41).
  • NDVA 1978 p.32. De Landschapserven in kaart gebracht.
  • DVA 1927
  • Leenmannen register 1379-1384, Collectie Brands.
  • De archieven van de kerspelen en marken, Mr.G.L.C.Joosting 1910.
  • Historisch Centrum Overijssel (inv.nr.AAZ.01.1252)
  • Oorkonden overgenomen van:
    • Oorkondeboek van Groningen en Drenthe, bewerkt door P.J.Blok. Collectie Brands.
    • www.cartago.nl. Copyright 2004 Stichting Digitaal Oorkondeboek Groningen en Drenthe (DOGD).
 

Wie helpt? Omhoog

Klik hier om een e-mail aan Historisch Emmen te versturen Historisch Emmen zoekt altijd naar informatie.
Foto's, kranten, artikelen, advertenties, knipsels, stambomen, genealogie, alles is welkom.
Na digitalisering ontvangt u alles retour.
Help mee Historisch Emmen beter en vollediger te maken.