dot Home - start
dot Historie
dot Emmen centrum
dot Wijken buurten straten
dot Buitendorpen
dot Cultuur

dot Gemeente archief
dot Verenigingen
dot Wie helpt?

dot English Deutsch Français Español dot
De historie van Emmen in woord en beeld

 

 

Logo Historisch Emmen

Historisch Emmen toevoegen aan uw favorieten

blauwe lijn
dot Laatst gewijzigd dot Gastenboek dot Over deze site dot Sitemap dot E-mail dot

Historie: Emmen in de jaren 1522 t/m 1598 Omhoog


Een nieuw tijdperk: Omhoog

In de bisschoppelijke tijd was er veel handel tussen het graafschap Bentheim, het sticht Munster en Groningen. Vooral Coevorden heeft van deze handel kunnen profiteren. De handel ging in stokvis, traan boter en kaas naar Bentheim en Musterland en in zandsteen, hout, rogge wol, ham, canvas en dergelijke in omgekeerde richting.

Hoge tolheffingen bij Coevorden, de verdere strijd tussen de drosten en bisschoppen, die klaagden dat de Drenten de bisschoppelijke belastingen niet wilden betalen en zich niet stoorden aan de rechten van de bisschop en goederen die de bisschop toebehoorden kochten en verkochten alsof het hun eigen goederen waren, belemmerden een verdere ontwikkeling.

Aan het einde van de 14e eeuw (1397) zag de toen heersende bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim, kans het gezag weer enigszins te herstellen. De opmars en autonomie van Drenthe kon hij echter niet meer terugdraaien. Aan de sterk op rechten staande Drenten, waarvan gezegd wordt "dat het goede onderdanen maar slechte slaven zijn", moest de bisschop het behoud van de bestaande rechten waarborgen. Dit geschiedde middels het Drents Landrecht uit 1412.

De bisschoppen die Frederik van Blankenheim opvolgden lieten zich zelden in Drenthe zien en hun gezag brokkelde langzaam weer af.

In 1514 behoorde Drenthe nog tot het bisdom Utrecht, maar begon de invloed van Karel van Egmont, de hertog van Gelre, in de noordelijke provincies. Hij was te hulp geroepen door graaf Edzard van Oost Friesland die dit landsdeel verbonden had met George van Saksen, hertog van Saksen van 1500-1539. De hertog van Saksen wilde in 1514 zijn gezag ook uitoefenen in Groningen. De strijd van George van Saksen bezorgde de Friezen echter hoge kosten waardoor deze de hulp inriepen van Karel van Egmont. Deze vergrootte hiermee zijn invloed in het noorden ten koste van de bisschop van Utrecht, maar trad nog niet openlijk tegen hem op. Toen ook Zwolle de hulp van Karel van Egmont inriep, omdat de stad meende dat de bisschop de stad Kampen voortrok in een onderling geschil, rook de hertog zijn kans. Hij trok richting Zwolle waarbij ook Coevorden, na een hevige strijd, op 12 september 1522 werd ingenomen.

Frederick van Twickelo, de laatste drost in dienst van de bisschoppen, moest zijn ambt gedwongen afstaan aan Johan van Selbach (±1482-1563) die door Karel van Egmont, de nieuwe heerser over Drenthe, werd aangesteld.

Karel van Egmont, de hertog van Gelre werd in 1522 de nieuwe landsheer van Drenthe, en dus ook Emmen, waarmee het tijdperk van bisschoppen, dat van 1024 tot 1522 had geduurd, eindigde.


1522, Karel van Gelre: Omhoog


Karel van Egmont (Gelre)


Johan van Selbach 

 

Van 1024 tot 1522 maakten de bisschoppen van Utrecht de dienst uit in Emmen. In 1514 behoorde Drenthe nog tot het bisdom Utrecht maar kwamen de noordelijke provincies steeds meer onder invloed van Karel van Egmont (1467-1538) de hertog van Gelre.

Karel van Egmont was te hulp geroepen door graaf Edzard van Oost-Friesland die dit landsdeel verbonden had met George van Saksen de hertog van Saksen. De hertog van Saksen wilde in 1514 zijn gezag ook uitoefenen in Groningen. De strijd van George van Saksen bezorgde de Friezen echter hoge kosten waardoor deze de hulp inriepen van Karel van Egmont. Deze vergrootte hiermee zijn invloed in het noorden ten koste van de bisschop van Utrecht, maar trad nog niet openlijk tegen hem op. Toen ook Zwolle de hulp van Karel van Egmont inriep, omdat de stad meende dat de bisschop de stad Kampen voortrok in een onderling geschil, rook de hertog zijn kans. Hij trok richting Zwolle waarna hij, na een hevige strijd, op 12 september 1522 ook Coevorden innam.

Karel van Egmont werd op 9 november 1522 als nieuwe landsheer van Drenthe en dus Emmen erkend hoewel een aantal etten weigerde de eed af te leggen. Hiermee kwam het tijdperk van bisschoppen, dat van 1024 tot 1522 had geduurd ten einde.

Frederick van Twickelo, de laatste drost in dienst van de bisschop van Utrecht, moest zijn ambt gedwongen afstaan.

Karel van Egmont (1467-1538) was de zoon van Adolf van Egmont, hertog van Gelre en graaf van Zutphen en Catharina van Bourbon. Hij huwde in 1518 met Elisabeth van Brunswijk-Lüneburg (1494-1572) dochter van hertog Hendrik VII van Brunswijk-Lüneburg en Margaretha van Saksen. Uit dit huwelijk kwamen geen kinderen voort. Karel van Gelre werd begraven in de Sint-Eusebiuskerk te Arnhem.Op het hoogtepunt van zijn roem bezat hij Gelre, het graafschap Zutphen, Overijssel, Drenthe, Friesland en grote delen van Groningen.

Tijdens het 14-jarig bestuur van de hertog van Gelre werd Drenthe geteisterd door soldaten en vrijbuiters. De Gelderse Oorlogen deden zich ook in Drenthe gelden hoewel van echte oorlogsvoering tussen grote legers geen sprake was.

Noot: Met de Gelderse Oorlogen worden de vele conflicten bedoeld tussen Habsburg, Gelre en het Sticht Utrecht. Habsburg bestond uit Holland, Vlaanderen, Brabant, Henegouwen en stond onder leiding van de hertog van Bourgondië. Gelre bestond uit Gelre, Groningen en de Ommelanden, Friesland en Oost-Friesland en stond onder leiding van Karel van Gelre. Het Sticht Utrecht, verdeeld in het Oversticht en het Nedersticht stond meestal achter de Utrechtse bisschop.

Drenthe kende onder Karel van Egmont niet echt rustige jaren. De strijd tegen de bisschop van Utrecht bleef doorgaan en toen deze de hulp inriep van keizer Karel V (1500-1558) van het huis Habsburg, was Karel van Egmont genoodzaakt een verdrag met de keizer te sluiten.

De Habsburgers eisten echter wel van de toenmalige bisschop van Utrecht, Hendrik van Beieren, dat zij de wereldlijke goederen van het bisdom aan hen zouden overdoen. Dit werd vastgelegd in het traktaat van Schoonhoven op 15 november 1527. Hiermee kwam er definitief een einde aan de landsheerlijke macht van de Utrechtse bisschop. Paus Clemens VII bekrachtigde de overdracht in augustus 1529.

Door zijn woelige natuur raakte Karel van Egmont ook in onmin met het door hem bezette Groningen, dat eveneens de hulp van keizer Karel V inriep. Het kwam tot een veldslag bij Heiligerlee, die in het nadeel van Karel van Gelre eindigde. Groningen en Ommelanden werden aan de macht van Karel van Egmont onttrokken. Bij deze strijd was ook Drenthe betrokken met als gevolg dat Karel van Egmont in 1536, middels de Vrede van Grave, volledig afstand moest doen van Drenthe. Twee jaar later overleed hij. Ondanks deze woelige jaren verwierf Karel van Egmont wel de achting van de Drentenaren.

Met name in recht en rechtspraak bracht Karel van Egmont belangrijke wijzigingen voor Drenthe aan.

Voordien was het zo dat iemand een rasechte Drent moest zijn om schulte te worden: "Geen uitheemsche Man magh Schulte of Onderschulte in den Lande Drenthe wezen, ten ware hij zonderlinge, tot hetzelve Ampt ware gequalificeert; maar wordt verstaan dat steeds een Ingezeten, gelijk bequaam zijnde, voor een uitheemsche praeferentie zal genieten".

Onder het bewind van de hertog van Gelre werden vreemdelingen als drost en schulte aangesteld en werden schultambten gecombineerd. De drost mocht zonder kennisgeving aan de hertog geen lijfstraffen tot uitvoering brengen.

Door Karel van Egmont werd Johan van Selbach (±1483-1563) als drost van Drenthe aangesteld: "Ick Johan van Selbach Mairschalck, droste to Covorden ende des lands van Drenthe...." Bron: KTA, inv.nr.50, reg.1018 gedateerd 4 april 1529.

Johan van Selbach huwde met Judith Schmulling (†±1540). Uit dit huwelijk kwamen drie kinderen voort: Judith, Maria en Henrick. Ongeveer acht jaar na het overlijden van Judith Schmulling huwde hij met Anna Schmulling, mogelijk een zus van Judith. Uit dit huwelijk kwamen twee kinderen voort: Catharina en Johan. Deze Johan werd later schulte van Emmen. De drost moest de dagelijkse gang van zaken regelen.

Karel van Gelre vond Johan van Selbach echter niet doortastend genoeg. Die moest zich beter bezighouden met het burgerlijk bestuur, rechtspraak en belastingheffing. De Drenten schikten zich niet gemakkelijk onder Johan van Selbach. Die schreef in 1536 nog een brief aan de hertog dat hij zich beriep op overmacht "wegens de grote armoede van uwer vorstelijke genade onderzaten des lands van Drente. Wanneer ik mijn lieden uitzendt om wat van hen in te vorderen gaan ze op de vlucht en lopen weg als de hazen voor de windhonden."

Johan van Selbach vertrok na zijn afzetting naar zijn vaderland.


1536, Karel V: Omhoog


Karel V

Karel V (1500-1558) werd in 1536 de nieuwe heerser over Drenthe.

Johan van Selbach (±1482-1563), die door Karel van Gelre was aangesteld als drost van Drenthe, moest in november 1536, na een belegering van twee maanden, Coevorden overgeven. Hij ging terug naar zijn vaderland.

Karel V stelde in Drenthe in plaats van een schulte of een drost een stadhouder-drost aan. De eerste die deze functie bekleedde was Georg Schenck van Tautenburgh (1480-1540), die deze functie ook uitoefende voor Groningen en Overijssel. Hij werd opgevolgd door Maximiliaan van Egmont (1509-1548) die het stadhoudersschap vervulde van 1540-1548. De laatste stadhouder tijdens het bewind van Karel V was Reinoud van Burmania van 1540 tot 1557.

Karel V deed op 25 oktober 1555 afstand van de troon en droeg de Nederlandse gebiedsdelen over aan zijn zoon Filips.


1568-1648, Tachtigjarige Oorlog: Omhoog


Filips II

Filips II (1527-1598), zoon van Karel V, volgde zijn vader op en was Heer der Nederlanden van 1555-1581.

Filips II had met name de eerste twintig jaar van zijn bewind het beste leger van Europa en was net als zijn vader Karel V de machtigste man van Europa. Door aanhoudende oorlogen ontstonden er financiële problemen die er vanaf 1570 de oorzaak van waren dat het Spaanse leger over zijn hoogtepunt heen geraakte.

Ook de Nederlandse gewesten kwamen vanaf 1568 onder leiding van Willem van Oranje (1533-1584) in opstand tegen het bestuur van de Spaans-Habsburgse koning Filips II. Deze opstand, die bekend staat als het begin van de Tachtigjarige Oorlog, leidde in 1579 tot een splitsing van de Nederlanden in de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden.

In het noorden werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gevormd. De Zuidelijke Nederlanden, het latere België, bleven onder Habsburgs bewind. De Tachtigjarige Oorlog duurde van 1568-1648 met een bestand van twaalf jaar in de jaren van 1609 tot 1621.

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bestond uit Friesland, Gelre, Holland, Overijssel, Stad en Lande (Groningen), Utrecht en Zeeland.

Drenthe maakte geen deel uit van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Drenthe was een graafschap met een eigen Statenvergadering en had vanwege vermeende armoede geen stemrecht in de Staten-Generaal van de Republiek.

Het Graafschap Drenthe werd in deze periode omgevormd tot Het Landschap Drenthe. Het gewest had ongeveer 20.000 inwoners en beheerde zijn eigen financiën.

De drost van Drenthe werd echter door de Staten-Generaal van de Unie benoemd.


Het bestuur van Emmen: Omhoog

Het kerspel Emmen werd tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) bestuurd door een schulte. Vermeldingen van schultes in het kerspel Emmen in deze periode zijn (o.a.):

Naam schulte datum tekst bron

Johan van Selbach 11 november 1561 "....den Erentfesten Erbaeren unde frommen Johan van Selbaeh Scultus to Empne...."

Betreft: verkoop 2 stukken hooiland.

Voorkomende namen: Johan Weekyngh tho Westenessche, Harmen Kuyper, Emmer runde, Barger runde, Oevermans, Schyrrynghe tho Noertbarghe, Wyllem Segherynghe, Hyndryck Geertmaech, Kunst van Selbach

KTA
inv.nr.15
reg.257
Johan van Selbach 18 augustus 1570 "....den erentfesten erbaren vromen ende vorsychtygen Johan van Selbach, schulte to Emmen...."

Betreft: verkoop vlasland gelegen tussen Hinrick Greven en Rosynge

KTA
inv.nr.116
reg.1106
Johan van Selbach 27 oktober 1572 "...Ick Johan van Selbach schults toe Empne..."

Betreft: opbrengst van de schatting groot 14400 carolus gulden zoals door 't landschap Drente aan zijn Koninklijke Majesteit beloofd als afkoopsom voor de twintigste en tiende penning.

KTA
inv.nr.51
reg.269
   

Johan van Selbach was een zoon uit het tweede huwelijk van de verdreven drost Johan van Selbach, zoals hierboven beschreven.

Johan van Selbach huwde met "Griete". Uit dit huwelijk kwamen (mogelijk) drie kinderen voort: Henrick, Const en Luitjen.

In de wijk Emmermeer is de Johan van Selbachstraat naar hem genoemd.


Henrick van Selbach 1585 "...des Er. Henrick van Selbach schults toe Emmen..."

Betreft Valthe.

KTA
inv.nr.24
reg.272
Henrick van Selbach 1588 "...Henrick van Selbach schults toe Emmen..."

Betreft: Berger Reytmaden gelegen westelijk van Egginge te Noordbarge en oostelijk van Steenge te Zuidbarge.

Voorkomende naam: Warner Cremer.

KTA
inv.nr.7
reg.275
Henrick van Selbach 1603 "...Henrick van Selbach..."

Betreft: verkoop bouwland te Zuidbarge voor reparatie kerk en opbouw Weeme,

Voorkomende namen: Knechteringe, Goldenberch, Warner Everts, Johan Sickinge, Geert Vrylinge, Lobbert Guetraets, Johan Yckinge

KTA
inv.nr.29
reg.280

Henrick van Selbach was de oudste zoon van schulte Johan van Selbach en zijn vrouw "Griete". Henrick werd net als zijn vader schulte van Emmen. Van 1596 tot 1618 was hij ette voor het dingspel Zuidenveld en van 1600-1615 gedeputeerde van Drenthe.

Henrick van Selbach huwde met Catharina Jansen. Uit dit huwelijk kwamen twee (mogelijk drie) kinderen voort: Johan en Caspar.


Kunst van Selbach 18 juli 1589 Kunst wordt vermeld als schulte van Emmen en van Sleen. KTA
inv.nr.21
reg.nr.276

Kunst van Selbach was de jongste zoon van schulte Johan van Selbach. Kunst werd schulte van Sleen (zie o.a. KTA,inv.nr.23,reg.273). Ook zou hij schulte van Emmen zijn geweest. Hiervan zijn nog oorkondes gevonden. Kunst komt soms ook voor als Const, Konst, Conste, e.d.

Kunst van Selbach huwde met "Eerntien". Uit dit huwelijk zijn (nog) geen kinderen bekend.


Hans van Omm(er)en
Hans van Omm(er)en zou schulte zijn geweest van 1595 tot 1599. Uit deze tijd zijn echter oorkondes gevonden die door andere schultes zijn gezegeld. Van Hans van Omm(er)en zijn nog geen zegelingen als schulte gevonden.

Hans van Ommen [Ommeren] werd door de provinciaal archivaris J.S.Magnin beschreven als " Helbardier van Zyn Genaede, schults van Emmen, Ooren ende Rosewinckel".

Een helbardier was soldaat gewapend met een hellebaard. Een hellebaard is een strijdbijl aan een lange steel. Met "Zyn Genaede" werd graaf Willem Lodewijk van Nassau (1560-1620) bedoeld.

Bron: NDVA 1902 p.153 en Magnin "Geschiedkundig overzicht der besturen die voor de herstelling van Nederland in 1814 in elkander zijn opgevolgd" derde stuk, 2e deel.


Eberhartten van Gemmen

Eberhardtt van Gemen

9 mei 1603 "...den Erentfrommen Eberhartten van Gemmen Schults tott Emmen Oderen und Rossewinckell..."

Betreft Erm.

Voorkomende namen: Heinderich van Selbach, Kunst van Selbach, Klincken Muller

KTA
inv.nr.21
reg.281
Everhard van Gemen wordt in de NDVA 1902 p.153 genoemd als schulte in oorkondes uit 1599 en 1625. Deze oorkondes zijn nog niet gevonden.

Everhard (Evert) Warners Mullinga
Everhard Warners Mullinga was schulte van 1625 tot 1654.

Na schulte Everhardt van Gemen was het 150 jaar lang de familie Emmen die van vader op zoon de functie van schulte vervulde. Het geslacht Emmen heette van oorsprong Mullinga. Noot: er is geen verband bekend tussen de familienaam Emmen en de plaatsnaam Emmen.

De eerste generatie: Van de oudst bekende generatie Mullinga is alleen bekend dat het een zekere Evert was, die een zoon had met de naam Warner Evers Mullinga. Deze generatie heeft het ambt van schulte niet uitgeoefend.

De tweede generatie: Warner Evers Mullinga was een eigenerfde te Emmen. Hij was op 20 oktober 1596 mede ondertekenaar van een akte opgemaakt door de drost en 24 etten waardoor vast staat dat hij lid van de Etstoel namens het Dingspel Zuidenveld was. (Deze akte was een overeenkomst tot onderlinge waarborging van elkaar tegen alle mogelijke nadelen die voort zouden kunnen vloeien uit het feit dat zij hun ambtsbezigheden bleven uitoefenen, nadat zij uit hun ambt waren gezet als gevolg van de hoog opgelopen onenigheid met de generaliteit en de Stadhouder over de benoeming van de drost.)

Warner Evers werd ook vermeld bij de aanstelling van Reynold de Vos van Steenwijk tot drost op 30 oktober 1598. In 1612 had Warner Evers 37 mud land in Emmen bezaaid (OSA 621). Een volle boerderij was 30 mud. In 1630 werd Warner Evers niet meer vermeld in het register van erven en huizen. (OSA ?)

Warner Evers kreeg drie nakomelingen:

  1. Rudolpf Warners.
  2. Everhard (Evert) Warners (±1594-1654). Hij werd schulte van Emmen en is het onderwerp van dit artikel.
  3. Wolther Warners.

Bronnen: Boezem, Bonder (p.89), Joosting (1910, R 55), Magnin, Meesters, NP 5, OSA 14.

  • 1625-1654 Everhard (Evert) Warners Mullinga

Everhard (Evert) Warners Mullinga (±1594-1654) was één van de drie zonen van Warner Evers.

Hij veranderde de familienaam Mullinga in de familienaam Emmen. Everhard (Evert) Warners Mullinga zal verder worden vermeld als Evert Warners Emmen. Bron: handschift Frederik Sibinga Groninger Archieven.

Evert Warners Emmen huwde op 3 oktober 1614 te Borger met Margaretha Lepels (1592-1652). Uit dit huwelijk kwamen 13 kinderen voort:

  1. Warner Emmen (1615-1629).
  2. Margaretha Emmen (1617-1672).
  3. Elisabeth Emmen (1620-1692).
  4. Sara Emmen (1622-1656).
  5. Rebecka Emmen (1624-1629).
  6. Hemma Emmen (1625-1703).
  7. Maria Emmen (1627-1671).
  8. Warner Emmen (1629-1670). Hij volgde zijn vader op als schulte.
  9. Coenraad Emmen (?-?).
  10. Susanna Emmen (1634-1635).
  11. Susanna Emmen (1636-1685).
  12. Jan Emmen (1637-1667).
  13. Abigaël Emmen (1638-1648).

Bronnen: Belonjé (p.165), Buiskool (1980, p.110), Ebbens, Garming, Kijmmell (1902), Meesters (1973, p.18 p.225-226; 1978, p.151-152), OSA 841, OSA 845.

Evert Warners Emmen was in 1616, ongeveer 22 jaar oud, schatbeurder van Emmen. Dit was een belangrijke functie want een schatbeurder was voor het kerspel de ontvanger der belastingen.

Twee jaar later, nog voor het jaar 1618, was hij ook Landdagcomparant. Noot: een landdagcomparant was een bestuurder van een kerspel die hieruit gekozen was om in de Staten van Drenthe zitting te nemen.

In 1625 werd hij door de koning van Spanje (Philip IV) aangesteld als schulte van Emmen, Odoren en Roswinkel. Volgens de overlevering gebeurde dit op voordracht van zijn broer Rudolpf die een Spaanse heer van een ziekte had genezen.

Overall bron: e-mail B.Emmens 2004 en 2005. In 2007 eveneens gepubliceerd in het Drents Genealogisch Jaarboek.



Domein- en kloostererven te Emmen: Omhoog

Een kerspel (karspel, carspel of carspil) was de oorspronkelijke benaming voor een kerkgemeente of parochie. Een kerspel bestond uit marken die onder een bepaalde kerk vielen. Het begrip kerspel werd ook wel omschreven als "xx, onder den clockeslach van yy", hetgeen inhield dat de inwoners van het dorp xx ter kerke gingen in het dorp yy. Het kerspel Emmen bestond uit de marken:
  • Emmen en Westenesch.
  • Noord- en Zuidbarge (inclusief Angelsloo en Den Over).
  • Weerdinge.

De inwoners van deze dorpen kerkten dus in Emmen.

De Tachtigjarige Oorlog, viel samen met een religieuze beweging waarbij het rooms-katholieke geloof werd ingewisseld voor een protestantse leer. Dit proces heet reformatie.

In Drenthe werd de reformatie van bovenaf opgelegd, door een decreet van stadhouder Willem Lodewijk. Alle priesters werden voor de keus gesteld zich tot het nieuwe geloof te bekeren. Zij moesten daarvoor een examen afleggen of anders hun ambt neerleggen en de kerk verlaten.

Tijdens de reformatie, ofwel hervorming, kwam het tot een breuk tussen de rooms-katholieken en de zogeheten gereformeerden. De overgang naar het nieuwe protestantse bewind werd gevolgd door de onteigening van alle bezittingen van de rooms-katholieken.

In het gehele kerspel Emmen lagen in 1594 minstens 26 erven. Deze erven werden in 1594 door de heersende overheid van de geestelijk macht genaast (=toegeëigend).

Deze 26 erven waren te verdelen in 12 domeinerven en 14 kloostererven.

Twaalf (12) domeinerven. Deze domeinerven waren oorspronkelijk bezittingen van de bisschop van Utrecht, die tot 1522 heer van Drenthe was geweest. Hij bezat deze erven niet privé maar als Heer van het Graafschap Drenthe dat tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd omgevormd tot Het Landschap Drenthe. Als rechtsopvolgers van de bisschop van Utrecht, hadden ook de Hertog van Gelre, Karel V en Phillips II als Heer van Drenthe zeggenschap over de 12 domeinerven.

  • Emmen: drie boerenerven.
    1. Heerenhof.
    2. Mouwen.
    3. Lippinge.
  • Noordbarge: drie boerenerven.
    1. Beninge.
    2. Duirts.
    3. Jolinge.
  • Westenesch: één boerenerf.
    1. Wekinge.
  • Weerdinge: vijf boerenerven.
    1. Weekinge.
    2. Huir of Hoffgoed.
    3. Altinge.
    4. Heminge.
    5. Houwinge.

Deze domeinboerderijen vielen toe aan De Landschap Drenthe, het provinciaal bestuur in Assen.

Veertien (14) kloostererven. Deze kloostererven waren oorspronkelijk bezittingen van een klooster. In het kerspel Emmen ging het om twee kloosters: die te Essen en Ter Apel.
  • Het klooster "Maria Campus". Dit nonnenklooster, ook wel Yesse geheten, stond te Essen gelegen tussen Groningen en Haren en bezat in:
  • Westenesch: één boerenerf.
    1. Horning (Horring).
  • Noordbarge: drie boerenerven.
    1. Gilsinge.
    2. Hoving.
    3. Berends (Olden vrijling).
    4. Kloeks.
  • Angelsloo: één boerenerf.
    1. Angelsen.

Deze zes kloosterboerderijen kwamen in het bezit van Stad en Lande (Groningen).

  • Het klooster "Domus Novae Lucis". Dit mannenklooster, ook wel "Huis van het Nieuwe Licht" geheten, stond in Ter Apel. Het klooster bezat in:
  • Emmen: drie boerenerven.
    1. Rosinge.
    2. Jippinge.
    3. Greven.
  • Zuidbarge: vijf boerenerven.
    1. Betting (Bettinge)
    2. Blering (Bleringe)
    3. Oldehuising (Oldenhuysinghe)
    4. Knechtering (Knegteringe)
    5. Rabbers (Rabberynge)

      Noot: Reuvekamp 2011 vermeldt ook Wrensinge/Weninge dat in 1488 aan het klooster werd verkocht.

Deze acht kloosterboerderijen werden inzet van jarenlange strijd tussen de overheden van Groningen (Stad en Lande) en Drenthe.

De rentmeester van het klooster van Ter Apel merkte in zijn administratie op dat de acht Emmer boerderijen weinig hooiland hadden, en dat van een aantal erven het hooiland slecht of zeer ongelegen was.


De overheid van Groningen (Stad en Lande) en Drenthe (Landschap Drenthe) probeerden de in hun bezit gekomen boerenerven te verhuren. Dat lukte niet al te goed. De Tachtigjarige Oorlog deed zijn invloed gelden.

Van een aantal erven is bekend dat er omstreeks 1600 geen boerderij of schuur meer op stond. Het ligt voor de hand dat de langdurige oorlog hier debet aan is geweest. De pachters van de boerderijen waren mogelijk gevlucht voor het oorlogsgeweld waardoor de erven er verlaten ("woest") bij lagen.

De oorlogvoerende partijen plunderden de omgeving of deden aan brandschatten. Noot: het laten betalen van een zeker bedrag aan een strijdende partij om te voorkomen dat deze het dorp zou gaan plunderen of in brand steken. Ook kwam het voor dat de tactiek der verschroeide aarde werd toegepast. Noot: het juist bewust weghalen of vernietigen van waardevolle zaken zodat de tegenpartij er geen gebruik meer van kon maken.

Het zijn door de heersende omstandigheden mogelijkheden waardoor de boerderijen niet meer opgebouwd. Het is ook mogelijk dat resten werden gebruikt voor herstel van andere boerderijen.

De verhuur kwam pas enkele jaren voor het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) op gang. De omstandigheden waren kennelijk verbeterd en de pachters kwamen of terug of er werden nieuwe pachters aangesteld.


Noot: Kloosters konden op verschillende manieren in het bezit komen van boerderijen:

  • Ze kunnen door het klooster zelf zijn gesticht om daarmee te kunnen voorzien in een eigen voedselvoorziening. De historische benaming van zo'n boerderij is voorwerk. Op een voorwerk werkten zogenaamde conversen, een soort half monniken die als belangrijkste taak hadden producten te telen voor het klooster. Later werd de band met het klooster minder hecht en dienden ze voornamelijk om pacht op te brengen. Er zijn overigens geen aanwijzingen dat dit type kloosterboerderij in het kerspel Emmen heeft gestaan.
  • Ze kunnen door vermogende mensen aan een klooster zijn geschonken. In ruil daarvoor vroeg men de kloosterlingen om op bepaalde dagen te bidden voor de ziel van een overleden familielid.
  • Ze kunnen ook door vermogende mensen zijn geschonken in ruil voor een verzorgde oude dag. Het klooster in Ter Apel bezat bijvoorbeeld een gasthuis waar mensen verzorgd konden worden.
  • Door middel van koop of ruil. Het is bekend dat het klooster in Ter Apel boerderijen in Emmen heeft aangekocht.
  • Ze kunnen langzamerhand zijn verworven. Het kwam wel voor dat een pachter de huur, of te betalen rente in de vorm van rogge, niet meer kon opbrengen. Het klooster kon een lening verstrekken maar daar werd de situatie vaak niet beter van. Duurde de problemen te lang dan kon het voorkomen dat het klooster de boerderij langzamerhand overnam.

1550, vermelding domeinerven: Omhoog

Afdruk van inv.nr 0023 gevraagd.
Wie helpt?

De bisschop van Utrecht en zijn opvolgers bezaten twaalf erven in het kerspel Emmen waarvan drie in de marke Emmen zelf. Deze erven staan bekend als de domeinerven.

In een rentmeesterrekening van Johan Renoy uit 1550 (DA Drostenrekeningen inv.nr.0023, item 41) staan de namen van deze drie domeinerven:

  • " 't Heren Hoff, Hoenynge genaamd".
  • " 't Mouwengoed".
  • " 't Lippyngegoed".

Rentmeester Johan Renoy beschreef in 1550: " 't Heren Hoff Hoenynge genaamd" met een zeer vervallen huis en "Omtrent vijff ende dartig mudden bouwlants, tijn mannemat hoeylandts, met noch enen acker genoemt den Breeden Acker, die verbijstert is." Lees: ongeveer 35 mud bouwland, tien dagwerken hooiland en de Brede Akker die verloren was gegaan.

Ook van het Mouwengoed werd vermeld dat het verloren was gegaan ("verbijstert").

Het geheel werd voor 23 mud verpacht aan de broers Egbert en Johan Imhoff. Een zekere Jan Imhof was in 1541 de pachter.

Noot: Hoenynge = Hoonynge = Honinge = Honninge. Een *e* direct na een *o* werd uitgesproken als *o*. Door deze *e* verdubbelt de *o* . Een liggend kort streepje boven de *e* van Hoen betekent een verdubbeling van de *n*.


1594, van domein- naar Landschaperf: Omhoog

Sinds 1568 waren de Nederlandse gewesten in opstand tegen hun landsheer Filips II, koning van Spanje. Deze opstand, de Tachtigjarige Oorlog, viel samen met een religieuze beweging waarbij het rooms-katholieke geloof werd ingewisseld voor een protestantse leer. Dit proces heet reformatie.

In Drenthe werd de reformatie van bovenaf opgelegd, door een decreet van stadhouder Willem Lodewijk. Alle priesters werden voor de keus gesteld zich tot het nieuwe geloof te bekeren. Zij moesten daarvoor een examen afleggen of anders hun ambt neerleggen en de kerk verlaten.

Tijdens de reformatie, ofwel hervorming, kwam het tot een breuk tussen de rooms-katholieken en de zogeheten gereformeerden. De overgang naar het nieuwe protestantse bewind werd gevolgd door de onteigening van alle bezittingen van de rooms-katholieken.

De bisschoppen van Utrecht, die van 1024 tot 1522 in Drenthe de dienst uitmaakten, bezaten als Heer van Drenthe, 12 erven in het kerspel Emmen. Deze, niet persoonlijke bezittingen, gingen over op hun rechtsopvolgers. Door de reformatie werden in 1594 deze 12 domeinerven in het kerspel Emmen door de heersende overheid van de geestelijk macht genaast (=toegeëigend).

De 12 domeinerven vielen in 1594 toe aan De Landschap Drenthe die in Assen zetelde. Daar was Stad en Lande niet gelukkig mee, het was een Gronings klooster en derhalve meende Stad en Lande evenveel of zelfs meer recht te hebben op de domeinerven. Stad en Lande en De Landschap Drenthe bakkeleiden tientallen jaren over de verdeling en wie nu waar recht op had. Pas in 1632 werden ze het eens.

De domeinerven zullen hierna verder Landschaperven worden genoemd.


1598, vermelding Landschaperven: Omhoog


Rentmeesterrekening van
Harmen Harckens anno 1598.

De rekening van de rentmeester der domeinen Harmen Harckens uit 1598 geeft de volgende Landschaperven in Emmen aan:

  • "Het Heerenhof, zonder huis, ligt al lange tijd woest".
  • "Mouwengoed, zonder huis, twier broeder scheijdinge met de Herenhoff."


  • De Heerenhof vormde ooit dus een geheel met het Mouwengoed en werden zij later gesplitst. Met "woest" werd bedoeld dat de gronden niet werden gebruikt. Het ligt voor de hand dat de langdurige Tachtigjarige Oorlog hier debet aan is geweest.

  • "Lippyngegoed, zonder huis, ligt ledych".

Bronvermelding: Omhoog

  • T.Engelsman in De Kroniek maart 2009.
  • T.Engelsman in De Kroniek december 2010.
  • S.G.Hovenkamp
  • Ordelen van de Etstoel 1518-1604 door Mr.J.G.Ch.Joosting.
  • Drents Archief OSA 1777.
  • NDVA 1978 "De Landschaperven in Drenthe in kaart gebracht" door J.E.Ennik.
  • Rentmeesterrekening van Renoy anno 1550: Drostenrekeningen, Drents Archief, inv.nr.0023, item 41.
 

Wie helpt? Omhoog

Klik hier om een e-mail aan Historisch Emmen te versturen Historisch Emmen zoekt altijd naar informatie.
Foto's, kranten, artikelen, advertenties, knipsels, stambomen, genealogie, alles is welkom.
Na digitalisering ontvangt u alles retour.
Help mee Historisch Emmen beter en vollediger te maken.