dot Home - start
dot Historie
dot Emmen centrum
dot Wijken buurten straten
dot Buitendorpen
dot Cultuur

dot Gemeente archief
dot Verenigingen
dot Wie helpt?

dot English Deutsch Français Español dot
De historie van Emmen in woord en beeld

 

 

Logo Historisch Emmen

Historisch Emmen toevoegen aan uw favorieten

blauwe lijn
dot Laatst gewijzigd dot Gastenboek dot Enquête dot Over deze site dot Sitemap dot E-mail dot

Historie: Emmen omstreeks 1650: Omhoog


Marke, markegrond en waardeel: Omhoog

Een geringe bevolking kon oorspronkelijk in hun behoeften voorzien door hetgeen de natuur opleverde. Jacht en visserij waren hoofdbronnen van bestaan. Door bevolkingstoename en vermindering van de wildstand werd landbouw en veeteelt noodzakelijk, aanvankelijk als aanvulling, later hoofdzaak. Voor landbouw moest men echter bemesten en waren gewassen nodig die op een schrale zandbodem wilden groeien. Dit gewas was vooral rogge.

Aanvankelijk kon de schaarse bevolking op de gronden buiten hun bouwlanden zoveel schapen en vee houden als men nodig oordeelde voor de behoeften van het bouwland. Eveneens had men aanvankelijk genoeg hout voor huizenbouw en brandstof. Toename van de bevolking bracht echter uitbreiding van bouwlanden mee. Dientengevolge was er een grotere mestbehoefte en dus een grotere veestapel nodig. Ook het houtverbruik nam toe.

Men moest tenslotte met naburige dorpen tot overeenstemming komen - al dan niet na veel strijd - tot hoeverre iedere buurschap de woeste gronden zou mogen gebruiken. Bij zo'n overeenkomst ontstonden toen de markegrenzen en de marke. De boeren van een buurschap dienden verder rechten en plichten vast te stellen. Men kon immers niet voortgaan dat ieder op eigen wijze onbeperkt het aantal schapen en rundvee vermeerderde, plaggen ging steken of hout gebruiken omdat dit de gronden zou veranderen in zandverstuivingen.

Zo ontstonden de zogenoemde waardelen. Men bepaalde ieders rechten op de gezamenlijke woeste gronden, door bepalingen aan dit waardeel of aandeel te verbinden. Bepalingen die o.a. inhielden hoeveel paarden, koeien, schapen men zou mogen houden, hoeveel plaggen men zou mogen steken en hoeveel hout men zou mogen gebruiken, "ende so na advenant", rekening houdende met de grootte van ieders waardeel. Men moest een maatstaf hebben tot hoever een gerechtigde gebruik kon maken van de ongescheiden gronden.

Deze regelingen staan in de boerwillekeuren. Boerwillekeuren of markerechten waren te beschouwen als verordeningen, die allerlei regelingen bevatten, betreffende de es, de buurschap en het gebruik van de markegronden. De tot heden bewaard gebleven markerechten zijn gepubliceerd in de Verslagen en Mededelingen van het Oud-Vaderlandse Recht, deel VI.

Uit praktische overwegingen verdeelde men de woeste gronden niet. Zonder verdeling kon men de schapen en het vee door één herder gezamenlijk laten hoeden. Werden de gronden verdeeld, dan zou iedere gerechtigde op zijn eigen gedeelte schapen moeten hoeden.

Linthorst Homan noemt in zijn boek "Geschiedenis van Drenthe" (p.72) de poging van de Bisschop van Utrecht (13e eeuw) om de hoforganisatie in te voeren en daardoor politiek en economisch meer vat op Drenthe te krijgen o.a. als één der oorzaken van het ontstaan der marken in Drenthe. De bevolking zou gereageerd hebben met het vormen van marken, om de woeste gronden in bezit te kunnen nemen, mogelijk onder leiding van edelen of pastoors en onder invloed van wat elders reeds was tot stand gekomen. Het feit, dat ook de kerk steeds in het bezit was van waardeel, houdt de mogelijkheid in, dat ook zij een rol heeft gespeeld bij het ontstaan der markegenootschappen. De stichting van de voornaamste kerken in Drenthe vond in dezelfde eeuwen plaats.

Marke Waardelen
Emmen en Westenesch 24
Noord- en Zuidbarge 25
Weerdinge 10

De kerk in de marke Emmen bezat ook een vol waardeel, opdat de pastoor, later predikant, met een volledige boerenbeslag in zijn onderhoud zou kunnen voorzien.

De hoeveelheid bouwland varieerde tot 45 mud (12 ha). De meeste bedrijven hadden zo'n 30 mud (8 ha). Dit was nodig, om voor een vol erf te kunnen doorgaan. Als men 1/4 waardeel bezat had men ook stemrecht.

De hoeveelheid grasland wisselde sterker. De grootste bedrijven hadden 10 tot 12 dagmaat grasland (7 tot 8 ha). Het merendeel der bedrijven had een hoeveelheid grasland ter beschikking variërend van 1/2 tot 2/3 van de hoeveelheid bouwland, tot ongeveer 5 ha dus. De boeren hadden dus een tekort aan grasland. Schapenteelt op de heiden moest uitkomst brengen om in het meststoffentekort te voorzien.

In 1654 werd een vol waardeel voor deze marken geschat op respectievelijk 1800, 2000 en 2400 car.guldens. Van een vijftal erven te Weerdinge was echter 1/3 deel van het waardeel verpacht aan Roswinkel, zodat het waardeel dat deze erven in gebruik hadden voor 1600 gulden "gepriseert" was. Het totale waardeel (ongescheiden woeste gronden) werd aldus vastgesteld:

  • Emmen en Westenesch: 24x1800 = 43.200 car.gulden.
  • Noord en Zuidbarge: 25x2000 = 50.000 car.gulden.
  • Weerdinge: 10x2400 = 24.000 car.gulden, verminderd met wat de 5 erven verpacht hadden.

De prijs van de waardelen hing onder meer af van de volgende factoren:

  • oppervlakte van de gezamenlijke gronden.
  • aantal waardelen, waarin de marke was verdeeld.
  • kwaliteit van de markegronden (groenland, bossen, venen en/of heide).
  • aantal gegadigden naar waardeel.

In 1654 was de globale verdeling van het waardeel in het kerspel Emmen als volgt:

In Emmen waren 22 personen met waardeel, variërend van 1/8 tot 3 volle waardelen. Men moest minstens 1/4 waardeel bezitten om stemrecht te hebben in de markevergadering en in de (provinciale) landdagen. Elf personen hadden 1 vol waardeel of meer, waaronder de schulte met 3 volle waardelen.

In Westenesch waren 12 personen met waardeel, variërend van 1/4 tot 1,5. Drie personen hadden 1 vol waardeel of meer.

In Noordbarge waren 20 personen met waardeel, variërend van 1/4 tot 1 1/4. Negen personen hadden 1 vol waardeel of meer.

In Zuidbarge waren 14 personen met waardeel, allen minder dan 1 vol waardeel.

In Weerdinge hadden 11 personen waardeel in gebruik, variërend van 1/4 tot 1,5 waardeel. Zes personen met 1 vol waardeel of meer.

Vergelijkt men de waardeel verdeling van 1654 met 1642 dan ziet men geringe verschillen van 1/2 of 1/4 waardeel waaruit blijkt dat er wel eens 1/4 waardeel overgedragen werd van de ene persoon aan de andere. Verkoop van waardelen aan personen buiten de marke werd zoveel mogelijk tegengegaan, maar was wel mogelijk, als er binnen de marke geen liefhebbers voor waren. Verder bestond de mogelijkheid, om waardeel te pachten van andere boeren.

Er waren personen die van de markegenoten het recht verkregen hadden in beperkte mate van de markegronden gebruik te mogen maken, zonder dat ze in het bezit waren van waardeel. In verschillende marken hadden 5 à 6 keuters de gebruiksrechten samen overeenkomend met 1 vol waardeel of 1 volle drift. Boven het aantal vastgestelde waardelen kwamen dus nog de keuterdriften ten laste van de ongescheiden gronden. In 1654 was een "keuterij opslach" te Emmen 400 gulden waard, met de vermelding: "Moet daervan aende bueren betalen". Er moest dus een pachtsom opgebracht worden. In 1654 was het aantal keuteropslagen sterk verminderd vergeleken met 1642. In de loop der 17e eeuw zijn de rechten dezer keuteropslagen en het pachten van waardeel door keuters in vele marken weer beperkt of ingetrokken.


Grondschattingen Omhoog

In 1630 werd de grondschatting ingevoerd, een belasting die een eigenaar of bewoner moest betalen. Daaronder vielen ook de opstallen. De eigenaar van veel grond of een grote boerderij betaalde meer dan iemand met minder bezittingen. In 1654 werden de registers, die van de grondschattingen waren gemaakt, vernieuwd en uitgebreid en bleven tot 1750 in gebruik.

Uit grondschattingsregisters (OSA 845 en 858) kunnen gedetailleerde gegevens over de economische toestand in de 17e eeuw worden gehaald.

Als gevolg van de grondschattingen werden vele bezwaarschriften ingediend bij Drost en Gedeputeerden. Ingezetenen of hele buurtschappen waren van mening, dat hun gronden of huizen veel te hoog geschat waren voor de belastingen.

Ingezetenen van Emmen en Westenesch waren van mening, dat hun landerijen en waardeel te hoog "geastimeert" (=vastgesteld) waren. Het land aan De Runde wilden ze verlaagd zien tot 25 car. gulden per dachwerck "ende dat ten Respecte, dat men het naulyx omme het darde ofte veerde Jaer kan winnen als synde in een seer vuill Vene gelegen, 't welcke niet dan bij groete droechten kan gebruecket worden".

Alleen in droge zomers is het blijkbaar bereikbaar. "Die Ingesetenen van Suet ende Noertbargen verklaren dat sij oerdelen dat haere Wardielen nae die Wardije ende nae de hoegeste toep daervan oijt gewest sijnde bij openbaere Uitmijninge behoeren gestelt te worden op twalff hondert Caroly-gulden". Het is later op tweeduizend vastgesteld.

Uit een nog iets later bezwaarschrift van Emmen en Westenesch: ".....die kleinheit ende mede de onvruchtbaerheit van haere groenlanden, ende dat sij hebben haere marcke gescheiden in achte parten waervan een yder part naulyx Vertich dachmaet groet is. Waarvann oock een seer groot deell bestaande is uit heitland ende dorre onvruchtbaere hoechten, jae ten dele mit buschen hulten ende bulten beloepen. Item dat haer holt seer weinich is ende haere venen vuill ende onvruchtbaerheit". ".....dat haere Hoylanden doorgaens seer slecht ende onvruchtbaer sijn .....".

De buurtschappen boden "eene oculare inspectie ende besichtinge ter gelegene tijd" aan H.H.Ridderschap en Eigenerfden aan. Aan de betrouwbaarheid van de gegevens valt dan ook weinig te twijfelen.

In het Drents Plakkaatboek no.464 staat een Besluit van Ridderschap en Eigenerfden tot heffing - naast andere belastingen - van een grondschatting, gedagtekend 16 februari 1630.

  • 3 volle ommeslagen
  • Grontschattinge, coemende op den driehondertsten penninck.

De ommeslag was een schatting, welke van de bezaaide landerijen werd gevorderd. Volgens de uitgave "Tegenwoordige Staat van Drenthe" (deel I, p.89), werd van iedere mudde land, 160 vierkante roeden groot, jaarlijks in ieder paaij omslagen 3 stuivers betaald en werden er toen (in 1795 sedert enige jaren) drie zodanige paaijen uitgeschreven.

In de registers van 1654 komen de bedragen voor van het bezit in de dorpen. De belastingen werden per kerspel geïnd. Het kerspel werd voor een bedrag aangeslagen en de inwoners moesten zelf de lasten maar verdelen. Uit aanvullende registers uit de 18e eeuw blijkt dat men niet alle bezitsveranderingen van personen heeft genoteerd, maar slechts de bezitsvermeerderingen per dorp of kerspel. Pachters betaalden 1/3 van de belasting, waarvoor hun gepachte boerderij was geschat. De eigenaar van het verpachte nam 2/3 voor zijn rekening.

Het kerspel Emmen.
  car. gulden stuivers penningen
Emmen 91833 8 8
Westenesch 56191 8 8
Weerdinge 51999 4 0
Noordbarge 93678 13 0
Zuidbarge 52133 12 8
Somma totalis 345836 6 8

" 't gehele Carspel Emmen is geestimeerd op 345836 - 6 - 8 daervan de 900e penninck ofte een paije Grontschatting d' somma van 384 - 5 - 4, zijnde alsoo ijder paije grontschatting over 't gehele carspel d'sa van 384 - 5 - 4". Voor de 300e penninck dus 3 ommeslagen per jaar.


Het bestuur van Emmen: Omhoog


1650, Landschaperven te Emmen: Omhoog

De bisschop van Utrecht bezat in het kerspel Emmen oorspronkelijk 12 boerderijen [de zogeheten domeinerven], waarvan drie in de marke Emmen zelf, die in 1594 toevielen aan De Landschap Drenthe.

Een rekening van de rentmeester der domeinen uit 1650 geeft de volgende Landschaperven in Emmen aan:

  • "Het Heerenhof, zonder huis".
  • "Mouwengoed, zonder huis".
  • "Lippyngegoed, zonder huis".

Beroepen rond 1650 Omhoog

Het kerspel Emmen bestond voornamelijk uit landbouwers met verspreid de noodzakelijke ambachtslieden. Deze laatste waren hoofdzakelijk geconcentreerd in het kerkdorp Emmen. Alle dorpen in het kerspel samen vormden een economische eenheid. Het kerspel was ingesteld op volledige zelfvoorziening.

De marke Emmen kende van 1642 tot 1654 de volgende beroepen (dubbele beroepen mogelijk):

  • landbouwers waaronder veel kleinbedrijf.
  • 2 wevers.
  • 2 soms 3 snijders.
  • 1 timmerman.
  • 1 smid.
  • 1 kuyper.
  • 1 schoemaker.
  • 1 schulte, tevens eigenaar van de molen.
  • 1 prediker.
  • 1 schoolmeester - koster.
  • 1 soms 2 schepers.
  • 1 persoon met een vinkerij.
  • 3 personen met een brouwhuis.

Bezittingen in 1654 Omhoog

In 1654 waren er in de marke Emmen:
  • 39 gezinshoofden met vermogen, waaronder 2 pachters, met elk nog een klein vermogen (daardoor dubbel vermeld)
  • 1 eigenerfde die er iets bij pachtte.
  • 2 vicaryen afzonderlijk opgenomen onder de vermogens
    • de Nijemans vicary voor 62 gulden.
    • de Campers vicary voor 933 gulden.
  • 1 persoon werd als "arm" vermeld (register 1645).

Het bezit van de schulte bedroeg 11.491 gulden en bovendien nog de molen ter waarde van 1500 gulden.

De vermogens waren opgebouwd uit: bouwland, groenland, waardeel, hofften, gaerdens, huizen, brouwhuizen, backhuizen, schuren en een molen.

Vermogen per bezitter in 1654:

vermogen (in car.gulden) aantal bezitters
tot 500 18 (waarvan 1 pachter)
500-1000 7
1000-2000 4
2000-3000 2
3000-4000 3
4000-5000 3
5000-6000 6 (waarvan 1 pachter)

Bronvermelding: Omhoog

  • "Het carspel Emmen omstreeks 1650" door Ir.R.W.Garming (Drentse Volksalmanak 1955 uitgave Koninklijke Van Gorcum te Assen).
    Publicatie met toestemming van de heer Ir.R.W.Garming.
  • "Technisch Gemeenteblad". Officieel orgaan van hoofden van gemeentewerken, van de hinderwet en bouwtoezichtvereniging.
    Uitgave 4 september 1958.
  • NDVA 1978 "De landschapserven in Drenthe in kaart gebracht" door J.E.Ennik.
  • OSA 845 Grondschattingsregisters 1642-1654.

Literatuur:

  • Drentsch Plakkaatboek no. 448, 464, 483
  • C.H.Edelman: Harm Tiesing, Landbouwleven in oostelijk Drenthe
  • Th.H.Engelbrecht: Uber die entstehung des Kulturroggens
  • A.E.van Giffen: Opgravingen te Rhee, Nieuwe Drentse Volksalmanak 1938
  • J.H.Gosses: De organisatie van bestuur en rechtspraak in de Landschap Drenthe
  • J.Hoops: Waldbäume und Kulturpflanzen im Germanischen Altertum
  • Mr.J.G.C.Joosting: Markerechten in Versl. en Med. van het Oudvaderlandsche Recht, deel VI
  • H.Keuning: Nederzettingvormen in diluviaal Nederland; in tijdschrift voor econ. geografie (27) jaargang 1936
  • G.Kuyper: Tafels ter herleiding van de oude landmaten enz. Groningen, 1823
  • A.F.W.Lunsingh Meyer: De rechtspositie van de eigenerfden in Drenthe
  • L.Oldenhuis Gratama: Een blik op de belastingen en den materielen toestand van 't Landschap Drenthe in 't begin der 17e eeuw. Drentse Volksalmanak 1849
  • M.O.Oldenhuis Gratama: Het Landrecht van Drenthe van 1608
  • F.N.Sickenga: Bijdrage tot de geschiedenis der belastingen in Nederland
  • B.H.Slicher van Bath: Mensch en land in de Middeleeuwen
  • W.C.H.Staring: Lijst voor binnen en buitenlandse maten, gewichten en munten, 2e druk 1885
  • Statenarchieven: OSA 845, OSA 858. Grondschatting van Emmen. Drents Archief te Assen

Wie helpt? Omhoog

Klik hier om een e-mail aan Historisch Emmen te versturen Historisch Emmen zoekt altijd naar informatie.
Foto's, kranten, artikelen, advertenties, knipsels, stambomen, genealogie, alles is welkom.
Na digitalisering ontvangt u alles retour.
Help mee Historisch Emmen beter en vollediger te maken.