dot Home - start
dot Historie
dot Emmen centrum
dot Wijken buurten straten
dot Cultuur
dot Straatnamen

dot Gemeente archief
De historie van Emmen in woord en beeld

Op 19 december 2018 heeft HE van de heer S.G. (Geert) Hovenkamp uit Hilversum zijn gehele digitale archief in ontvangst mogen nemen. Gedurende 25 jaar heeft hij onderzoek gedaan naar familierelaties in Emmen en de locatie waar ze woonden (periode van omstreeks 1600 tot 1832) Het is in omvang, compleetheid en geordendheid mogelijk het grootste particuliere archief van Emmen. In samenwerking met het Erfgoednetwerk zal bekeken worden hoe e.e.a. ontsloten kan worden.
Geert, bedankt ! ! !

Logo Historisch Emmen

Historisch Emmen toevoegen aan uw favorieten

blauwe lijn
dot Laatst gewijzigd dot Over deze site dot Sitemap dot E-mail dot

De Tweede Wereldoorlog, Oorlogshelden; Het gezin Flier: Omhoog


Dit artikel verhaalt de redding van de Drentse verzetsman Siem Schoon uit handen van de Duitse bezetter en de zeer belangrijke rol die o.a. het gezin Flier uit Emmen daarbij heeft gespeeld.

Siem Schoon was leider van de Knokploeg Noord-Drenthe en heeft daarover in zijn boek zelf verslag van gedaan. Opmerkelijk was de grote plaats die verzetsman ‘De Groot’ uit Emmen in het boek innam. De Groot was echter een verzonnen naam. Het lukte Jan Hof te achterhalen wie "De Groot" was.

Hoe zwijgzaam waren zij die waarlijk wat beleefd en te vertellen hebben. Want na vele jaren bleek de familie ‘De Groot’ hem wonderwel bekend te zijn. Dochter De Groot behoorde zelfs tot zijn kennissenkring in Emmen. En nimmer was er iets van die enerverende gebeurtenissen in de bezettingstijd over haar lippen gekomen. Totdat er om gevraagd werd nadat de ‘ontmaskering’ had plaatsgevonden.

De familie Flier uit Emmen vervulde de hoofdrol in de ontsnapping van een moedige verzetsman aan Nederlandse nazi’s, een geschiedenis die even spannend en spectaculair als wonderbaarlijk is.


Het was rustig in het woongedeelte van het zakenpand van de familie Flier aan De Grint in Emmen, zoals de Wilhelminastraat toen was omgedoopt omdat de bezetters allergisch waren voor namen van het Koninklijk Huis. Het einde van de dag naderde en er lag al een deken van schemering over het rustige dorp.

Het liep tegen tienen en vier van de vijf kinderen van Leendert (41) en Sipkje (39) Flier lagen al geruime tijd in bed, net als een neefje, dat op bezoek was. Alleen Toos van vijftien was nog op; zij maakte deel uit van het gezelschap in de woonkamer, dat naast haar ouders ook nog bestond uit twee loges uit Tiel, Leendert's jongere broer Jaap en diens vrouw Nans, alsmede twee jongemannen. Dat waren onderduikers, Hans Keizer uit Rotterdam en Henk Oostenbrink uit Hardenberg, die al geruime tijd de heimelijke gastvrijheid genoten van de familie Flier. Want dat pand op nummer 51 was een bolwerk van het ondergrondse verzet.

De avondlijke uren werden gezellig doorgebracht, het luisteren naar de ‘Engelse zender’ en natuurlijk het bespreken van de toestand aan de fronten in Frankrijk en Rusland. Het was 29 juli 1944 en de invasie was al bijna twee maanden aan de gang. Het kon niet lang meer duren of het uur van de bevrijding zou daar zijn.

Voor Leendert en Sipkje Flier zou dat een welkome verlossing betekenen van de spanning, zorg en energie die hun verzetswerk met zich meebracht. Tot nu toe was alles goed gegaan. Het doorgangshuis van de illegaliteit Flier was altijd nog gespaard gebleven voor de fatale aandacht van de Nederlandse en Duitse nazi’s, maar hoe lang zou dat nog zo blijven?

Er werd de grootst mogelijke voorzichtigheid betracht, maar het gevaar nam toe. Want het is onontkoombaar dat steeds meer mensen weet kregen van de activiteiten, die in dat winkelpand in het centrum van het dorp Emmen plaatsvonden.

De geheime schuilplaats onder de badkamer op de eerste verdieping was nog nooit gebruikt. Op die zaterdagavond van de 29ste juli kwam daar zo tegen tien uur dramatisch verandering in.


Voor Siem Schoon (31), onderwijzer uit Vries, was die zaterdag een dag als vele daarvoor: een dag vol onrust en zorg, vol machteloosheid ook. Een zwaar gezochte en ondergedoken verzetsman, van wie de identiteit bekend was, kon nauwelijks meer actief zijn in de daadwerkelijke strijd tegen de bezetter.

Het was een zaak van overleven geworden. Van proberen uit handen van de Nederlandse handlangers van de Sicherheitsdienst te blijven. Gevaarlijke ploerten die vaak nog erger tegen hun Duitse bazen tekeergingen en tegen landgenoten, die het waagden zich tegen het bewind te verzetten.

Schoon was ondergedoken in Emmen, bij de familie Harm Meijer in de Minister Kanstraat en zijn grote zorg gold zijn vrouw en zijn zoontje van goed twee jaar, die beiden ziek waren en verpleegd werden in de woning van zijn schoonouders, de familie Noorlag aan de Kerkhoflaan nabij de spoorwegovergang.

Zo nu en dan waagde hij het - zo behoedzaam mogelijk – naar het pand toe te gaan, waarvan hij kon bevroeden dat het in de gaten werd gehouden, omdat bekend was dat zijn schoonfamilie daar woonde.
Verraders slapen niet. Ook de zijne niet. Dat zou hij al gauw en bloedig aan de weet komen. Want de spiedende ogen van twee leden van het gilde der verraders hadden de Nederlandse SD-ers van de Dienststelle Assen laten weten, dat de door hen zo gretig gewenste terrorist uit Vries ’s avonds nog wel eens langs de spoorbaan in Emmen fietste, in de buurt van zijn schoonouderlijk huis.

Vooraan de Kerkhoflaan woonde het NSB-gezin Mulder, waarvan vooral de echtgenote en moeder een fanatiekeling is. Op de hoek van de Zonneweg, bij de spoorwegovergang, woonde A. Schoon, een naamgenoot dus van de gezochte, maar geen familie.


SD-er Jan Lamberts (26), afkomstig uit Ter Aard, die Siem Schoon al van jongs af goed kende (en hem later vaak tegenkwam, omdat hij getrouwd was met een dochter van een beruchte NSB-er uit Vries), was erop gebrand de KP-man te pakken te krijgen.

Deze Lamberts was een grote schurk, een bloedbeul, die al vele slachtoffers had gemaakt. Hij heeft verscheidene moorden op zijn geweten en stond bekend als een folteraar. Het toeval wil, dat verzetsman Schoon bij de illegale leiding erop heeft aangedrongen deze Lamberts te liquideren, maar daar werd geen toestemming voor gegeven. Daardoor was de naar de SD overgestapte Asser politieman in staat samen met een groep trawanten, onder wie de evenzeer beruchte Hendrik Cornelis Jan Lammerse (23), op die zaterdagmiddag met een personenauto naar Emmen af te reizen.

De kans was groot dat Schoon zich die avond zou laten zien. De auto werd gestald in de garage van Mulder. Vooraan de Kerkhoflaan en ter plekke werd de strategie bepaald. Het moest niet moeilijk zijn de KP-er te pakken te krijgen; het huis van Wilko Noorlag was zo gesitueerd dat ze maar op drie punten hoeven te posten.

Toen Schoon ’s avonds omstreeks half tien het huis van Noorlag op de fiets verliet om nog voor spertijd op zijn onderduikadres te zijn, werd hij fietsend langs de spoorbaan tussen de Kapelstraat en de kleine spoorwegovergang bij de Sterrenkamp door Lamberts en Van Deventer aangehouden. Ze brachten hem ongeboeid, maar onder bedreiging van een revolver op.

Via de Sterrenkamp gingen ze bij het kantongebouw niet rechtsaf de Hoofdstraat in, maar linksaf naar De Grint (Wilhelminastraat). Richting Hoofdstraat leidde naar het politiebureau of naar het Hotel Postma op de hoek van de Stationsstraat, waar de NSB en de Landmacht hun bivak hadden. Ze gingen richting Kerkhoflaan en Schoon besefte toen dat hij ongetwijfeld direct naar Assen zou worden vervoerd. Hij begreep hoe hij er aan toe was.


Siem Schoon wist dat hij gemarteld zou worden om hem aan de praat te krijgen over zijn contacten, en hij kende nogal wat illegale werkers. Over de afloop hoefde hij zich geen illusies te maken. Hij wist wat hem te doen stond. Dood ging hij toch en daarom probeerde hij nu te vluchten. Dan was er nog een kans, die eenmaal in Assen nihil was. Hij besloot dan maar ‘op de vlucht neergeschoten te worden’.

Vlak bij de Kerkhoflaan gekomen gooide hij de hulp SD-er Van Deventer voor een aantal fietsers die net aan kwamen rijden en wist in de korte verwarring weg te sprinten. De gewapende Lamberts was even verrast, herstelde zich en vuurde enige malen. Een kogel trof de vluchteling links in de rug en verdween door de borst, zonder vitale delen te raken. Hij had inmiddels een flinke voorsprong kunnen nemen, maar de hem volgende Lamberts vuurde nog een paar keer en trof hem ook in het linkerbeen. Al sprintend hoorde Schoon vlak bij garage Mulder een schelle stem: “Schiet die Cockse veur zien donder!” Het was de vrouw van garagehouder Mulder die de SD-er verbeten aanmoedigde.

Schoon besloot, omdat de voorsprong inmiddels tot meer dan vijftig meter was gegroeid, naar het dierenpark te gaan. Maar toen hij zijn gewonde been krachtelozer voelde worden vluchtte hij de steeg in tussen de panden van kruidenier Idze Dijkstra en meubelhandelaar Flier, van wie hij wist dat die ‘goed’ was en misschien een schuilplaats kon bieden.


Siem Schoon wou een zijdeur ingaan, maar die was op slot. Hij rende door naar de tuin van de kruidenier, keerde even later bijna strompelend terug en werd toen gezien door Lamberts, die weer schoot en de naar buiten gekomen kruidenier in het been raakte. Schoon dook toen met een wanhopige sprong door het openstaande keukenraam van Flier, daarbij een geweldig kabaal veroorzakend omdat hij een pan met vijftien liter melk en wat keukengerei had omgegooid. De SD-er vuurde door de raamopening maar moest toen zijn revolver herladen. Schoon rende door het magazijn en de werkplaats, wou door een achterraam klimmen waarbij een grote bloedvlek achterblijft op de muur, maar dacht toen in de tuin nog een SD-er te zien. Schoon keerde terug. Hij kwam in het woongedeelte en liep, terwijl het bloed hem langs de benen droop, een trap op, waar hij een geschrokken Sipkje Flier tegenkwam. Het zou zijn redding betekenen.

Gealarmeerd door revolvergeknal en direct daarna door het lawaai van voetstappen van hardlopende mensen vlak bij huis werden er alert maatregelen genomen. De onderduikers wisten dat zij zich onzichtbaar moeten maken. Binnen de kortst mogelijk tijd had Leendert Flier de zaak geregeld. Hij dirigeerde de onderduikers naar de badkamer op de eerste verdieping, rolde het vloerzeil een stuk op, haalde wat planken uit de vloer en liet ze in een kleine, maar doeltreffende ruimte tussen de badkamervloer en het plafond van de woonkamer verdwijnen. Toen de luikjes waren aangebracht en het zeil tot onder de op poten staande badkuip was glad gestreken, zou niemand een geheime schuilplaats vermoeden.


In de badkamer stond ook nog een eenpersoons bed en een kinderledikantje, want er moest met woon- en slaapruimte gewoekerd worden. Het was een gastvrij huis, voor familie maar ook voor vreemden, wier namen men meestal niet eens kende.

Leendert Flier en zijn allernaasten, tot de kleine kinderen toe, beheersden de gouden regel van de illegaliteit als geen ander. Die regel hield in: zo weinig mogelijk vragen, zo weinig mogelijk antwoorden en zo veel mogelijk zwijgen.

Toen Leendert Flier de badkamer uitkwam, botste hij bijna tegen de bebloede Siem Schoon op. Zijn ogen stonden hol en was lijkbleek. Hij zag er zelfs met hoed op nog uit als een geest, maar Leendert herkende hem direct. Het was Siem Schoon, getrouwd met een dochter van Wilko Noorlag van de Kerkhoflaan.

Zonder zich te bedenken keerde hij terug naar de badkamer, rolde het zeil weer op, opende de schuilplaats en zei: “Snel, erin!” De bloedende man kroop naar het gat en liet zich er in glijden. Hij werd met veel moeite opgevangen door twee paar armen van mannen, die zich wat later als Henk en Han aan hem voorstelden. De mannen namen direct maatregelen toen ze hoorden dat hij door kogels was getroffen. Nog voordat ze dat konden doen werden een paar bebloede lakens in het gat gegooid. Moeder Sipkje Flier had de tegenwoordigheid van geest gehad die lakens van het bed te trekken, waar ze de gewonde man had ingeduwd nadat die plotseling boven aan de trap was verschenen onder de uitroep: ”Help me, ze zitten achter me aan!” 


Moeder Sipkje Flier had hem niet herkend, maar na al dat lawaai rond en in het huis, twijfelde ze niet aan de noodzaak de helpende hand te bieden. Terwijl buiten het geluid van rennende mensen toenam en bij herhaling kreten als ‘Handen omhoog!’ en ‘Sicherheitsdienst!’ klonken, het was inmiddels bij tienen en de duisternis begon al bezit te nemen van de avond, begaf Flier zich koelbloedig en snel naar de werkplaats, waar hij het raam openzette, dat zich boven de muur met de bloedvlekken bevond. Terug in de woning beval hij dochter Toos direct op het bed in de badkamer te gaan liggen. “Je hebt een zenuwaanval, geschrokken door al die toestanden hier!” Toos aarzelde geen moment. Ze zou haar rol met verve spelen als het nodig was. En dat deed ze, twee weken lang.

Onder de SD-ers uit Assen, die inmiddels bij de meubelzaak verzameld waren, aangevuld met enkele landwachters en andere geüniformeerden, was nog steeds sprake van consternatie. Overrompeld door de vlucht van de man, die ze zo gemakkelijk dachten te overmeesteren, ontbrak de coördinatie in hun optreden. Het merkwaardige was dat ze niet ogenblikkelijk een huiszoeking deden. Toen ze binnen waren en Leendert Flier wilden verhoren, liet die weten dat zijn gezin en hun gasten enorm waren geschrokken.

“Er wordt hier geschoten, een kerel rent het huis binnen en gaat er ook weer uit en mijn dochter ligt met een zenuwaanval in bed. Er moet direct een dokter komen. Flier vroeg het “Maar dan wil ik een begeleider van jullie mee. Ik wil niet graag dat die SD-ers op me schieten!".

Het was een wonder maar hij kreeg toestemming naar de in de buurt wonende dokter Van Zanten te gaan. Deze was echter niet thuis maar even later verscheen de alom bekende en gerespecteerde dokter Hospers, ‘dokter Joppie’ zoals hij door velen werd genoemd.


Dokter Hospers ging direct naar de badkamer en nam daar pontificaal, kort door Flier ingelicht, vlak bij de deur plaats. Zijn gestalte was indrukwekkend, zijn uitstraling navenant, ook op de bloedhonden van de SD. Die hadden bezit genomen van het pand en een begin gemaakt met het verhoren van Leendert en Sipkje Flier. Ze vermoeden dat hij een belangrijke rol in de zaak speelde, en hadden Flier inmiddels geboeid. Ze lieten hem een foto zien van de gevluchte terrorist. Of hij die kende? “Zeker”, zei hij vlot, “die ken ik wel. Hij is vaak in de zaak geweest. Zijn schoonfamilie woont hier in de buurt. Een illegale werker? Dat zou ik nooit achter hem hebben gezocht …”

De Fliers lieten niets los. Terwijl de nazi’s alles in het werk stelden om hen aan de praat te krijgen, konden de onderduikers in de schuilplaats alles letterlijk horen wat er in de woonkamer gaande was. Ze moesten zich doodstil houden tijdens het stelpen van het bloeden. Ze hadden in totale duisternis de kogelgaten gevonden en drukten die met hun vingers dicht.

‘We konden niet eens rechtop zitten, zo klein was die ruimte’, zou Han Keizer later vertellen. Ík heb urenlang met zijn hoofd op mijn schoot gezeten, een poos zelfs slapende, in steeds dezelfde houding.’
Terwijl de SS’ers druk doende waren het huis en de bedrijfsruimten te doorzoeken, zat dokter Hospers nog steeds in de badkamer bij zijn ‘patiënt’. Toen ze de deur van de badkamer openden kregen ze van de dokter autoritair te horen dat ze daar weg moesten blijven. ”Dat wichie is zo zaik!” liet hij ze in zijn duidelijk Groningse tongval weten, ”dat elke storing van de rust levensgevaarlijk is.” En de moffen lieten zich overdonderen.


De ingetreden duisternis belemmerde de jagers bij hun werk. Zij waren het spoor volkomen bijster en besloten de hulp in te roepen van de speurhond begeleider Van den Berg uit Uffelte. De gewonde terrorist had een bloedspoor achtergelaten, maar het was buiten te donker om dat te kunnen volgen. De hond van den Berg zou hen kunnen helpen. Omstreeks 1 uur werd de politieman uit Uffelte gewaarschuwd. Twee uur later verscheen hij op zijn motor met de hond in de zijspan. Hij maakte echter geen aanstalten met de speurtocht te beginnen.

“Het is te donker”, zei hij en wachtte tot vijf uur alvorens aan het werk te gaan. Hij kwam met zijn viervoeter tot in de Julianastraat, een gebied waar de gezochte zich nooit had opgehouden. Het is niet bekend in hoeverre de Van den Berg zijn herder echt zijn best heeft laten doen, maar het feit is wel dat het falen hem door de SD niet al te kwalijk werd genomen. Er was namelijk een goed excuus: voordat de hond op pad ging had het namelijk een poosje stevig geregend.

Toos Flier zou achteraf zeggen: "Daar hebben we natuurlijk verschrikkelijk veel geluk mee gehad. Want anders was duidelijk geworden dat Siem Schoon nooit door het raam van de werkplaats was weggekomen. Het bloedspoor had zich van de muur beneden het raam door de tuin voort moeten zetten, als hij weg was gekomen. Die regenbui was de uitkomst.”

Ondertussen was dokter Hospers met medewerking van de ‘zieke’ Toos erin geslaagd even contact te krijgen met de gewonde vluchteling door het luik te openen, ondanks de aanwezigheid van de nazi’s beneden. Hij kon echter weinig meer doen dan de vraag te stellen of de patiënt bloed had gespuugd.
“Niet dat ik weet,” antwoordde deze. “Mooi”, zei de dokter, “dan ga je niet dood".

Haast onbegrijpelijk is dat Sipkje Flier er nog in slaagde de badkamer met zeepsop te reinigen nadat bekend was geworden dat er een speurhond zou komen. Met de SD-ers beneden en dokter Hospers als trouwe wachter bij het bed van Toos, klaarde zij het karweitje. Zij had overigens al veel eerder de trap geïnspecteerd en ook daar wat bloedvlekken weg kunnen wassen.


De jagers gaven zondagmorgen vroeg hun speurtocht op; ze hadden zorgvuldig gezocht en meenden dat de terrorist er toch vandoor moest zijn. Ze vertrokken.

De schuilplaats werd geopend en kon Schoon zijn helpers zien. Ze hadden een kranig stuk werk gedaan dat hem het leven had gered. Van een van de bebloede lakens hadden ze een stevig verband om zijn borst gelegd en met een zakmes van Keizer had Hans Oostenbrink de broekspijp rond het gewonde been weggesneden waardoor de kogelwond beter bereikbaar werd. En dat allemaal in een ongunstige lichaamshouding in het stikdonker.

’s Maandags durfden de onderduikers uit hun schuilplaats te komen en de patiënt van zijn bebloede kleding te ontdoen. Hij was er slecht aan toe vanwege de schotwonden, maar de grootste pijn werd bezorgd door het liggen op een harde vloer. Het lijden werd wat verlicht toen een dag later een matras in het gat werd geschoven. Pas na elf dagen was hij in staat de badkamer te verlaten en naar beneden te strompelen. Precies dertien dagen na zijn tumultueuze binnenkomst verliet Siem Schoon het pand, geladen op een bakfiets en overdekt door tafels en stoelen.


Siem Schoon werd naar de garage van de firma Meijer (in Emmen bekend als Cement Meijer) vervoerd, waar hij plaats moest nemen in een op een paardenwagen geplaatste grafkelder. Met de paardentractie ging het naar Ommen, er op vertrouwend dat patrouillerende landwachters niet op het idee zouden komen de grafkelder aan een nadere inspectie te onderwerpen. De bergplaats bleek inderdaad vertrouwd. Na Ommen ging het richting Enschede, waar hij bij familie onderdook. Na Dolle Dinsdag keerde hij terug naar Drenthe.

Voor de familie Flier ging het actieve ondergrondse werk gewoon door. Dat was al in 1942 begonnen, toen de eerste onderduiker werd opgenomen. Dat was echter niet zo’n succes, want het was, zou moeder Flier na een poosje eerlijk laten weten, een nogal vervelende jongen. Voor hem werd een andere plek gezocht en in zijn plaats verscheen de Hardenbergse student Henk Oostenbrink, die begin 1944 gezelschap kreeg van de Rotterdammer Han Keizer. Deze had al een zwerftocht langs verschillende onderduikadressen in Nederland achter de rug. Hij kwam via de onderwijzer Van Veen uit Emmen bij de Fliers terecht, waar hij samen met zijn lotgenoot zonder enig probleem deel uitmaakte van het gezin.

“Wat die mensen hebben gedaan is onvoorstelbaar”, zou hij bijna een halve eeuw later zeggen. “Wij zaten er als vaste gasten, maar het was daar een komen en gaan van voor mij onbekende figuren. Ik herinner mij nog wel dat er een poosje ook nog een piloot is geweest, een Amerikaan uit Salt Lake City, een mormoon. Hij was ergens bij Ter Apel neergeschoten, maar met zijn parachute veilig geland en door de ondergrondse opgepikt. Hij is uit de klauwen van de moffen gebleven. We zaten soms wel eens met vijftien man aan tafel. Levensgevaarlijk werk om je voor zoveel mensen in te zetten. En iedereen moest ook nog eten!”


Toos Flier, toentertijd een prille tiener, was een belangrijke schakel in de communicatie en foerage. 
‘We hadden van die hele grote pannen.’ Dankzij Henk Iedema uit Emmen, die op het distributiekantoor werkte, kwamen er vaak extra bonkaarten, maar ook kon er bij betrouwbare adressen van boeren uit de omgeving zonder problemen voedsel worden gehaald. Honger werd er niet geleden en ondanks de spanning en het beducht zijn voor het altijd op de loer liggende verraad, was het leven toch draaglijk.

Er was een permanente wachtdienst. Er zat altijd iemand op de uitkijk, zodat de onderduikers bij het geringste signaal van gevaar in de schuilplaats konden verdwijnen. Dat wachtsysteem werkte voortreffelijk, want in september 1944 deed de SD weer een inval.

Vier mensen verdwenen veilig in de schuilplaats. Naast de vaste onderduikers waren dat Leendert Flier zelf, die zich inmiddels ook ‘onzichtbaar’ had moeten maken, en een joods meisje, Willy, voor wie in augustus een nieuwe onderduikplaats gevonden moest worden. Zij kwam dus bij de familie Flier terecht.

Zo ging dat. Als de illegaliteit met een onoplosbaar onderdak probleem zat, bracht het pand aan de Wilhelminastraat altijd uitkomst.

Maar eind september was het adres toch besmet geworden. Leendert Flier dook nu helemaal onder; hij kwam terecht in het Noorder Dierenpark. Eigenaar Willem Oosting schroomde niet zijn medemensen in nood te helpen en zorgde voor betrouwbare schuilplaatsen bij de dierenverblijven. Voor de onderduikers van Flier werden elders nieuwe adressen gevonden. Het joodse meisje Willy bracht eerst nog een paar dagen door bij de familie Noorlag aan de Kerkhoflaan en kreeg toen een stek in Nieuw-Dordrecht. Moeder Sipkje, Toos en de vier kleinere kinderen bleven gewoon thuis.


De onderduikers van huize Flier waren nu wel verdwenen, maar het werk in de illegaliteit ging gewoon door.

Dat werd gedirigeerd door Leendert Flier vanuit zijn duikplaats in het dierenpark. Hij was een belangrijke schakel in het netwerk van de hulpverlening, onderen anderen voor het Nationaal Steunfonds, dat in nood verkerende families van ondergedoken verzetsmensen aan geld en voedselbonnen hielp.

De vijftienjarige Toos Flier was de koerierster, die met een bewonderenswaardige inzet ondanks haar jeugdige leeftijd het haar opgedragen werk voortreffelijk verrichtte. Zij had daarbij het grote voordeel dat zelfs de meest fervente nazi-speurders in de wat spichtige jonge deerne beslist geen illegale werkster zagen. Maandenlang zou zij door de zuidoosthoek van Drenthe fietsen, door weer en wind, in regen en kou, over gladde besneeuwde wegen en modderpaden. Was dat verantwoord?

Toos wilde daar later nauwelijks over praten. “Het moest gebeuren, mijn vader wilde zijn werk niet in de steek laten en ik moest hem daarbij helpen. Hij rekende op mij. Hij had er zijn zorg over, net als mijn moeder, maar die zorg moest wijken voor een groter belang. Bovendien, ik wilde het zelf ook.”

Omdat moeder Flier al geruime tijd in verwachting was, het gewone dagelijkse werk veel tijd vroeg en het dienstmeisje na een confrontatie met de SD het ook beter achtte te verdwijnen, moest er een nieuwe hulp in de huishouding komen. Dierenparkdirecteur Oosting wist daar wel raad op. Het parkseizoen was afgelopen en hij vroeg de bij hem werkzame Giny de Graaf (24) uit Nieuw-Weerdinge of zij bij de familie Flier wilde dienen. Daar was dringend hulp nodig, want de man was niet meer thuis, de dienstbode was weg en de vrouw was in verwachting.

Giny wilde wel, maar zij kreeg van haar vader thuis te horen dat hij haar daar bij die mensen in Emmen niet wilde hebben. Een familie waarvan de man er met de dienstbode vandoor is deugde niet. Dat was geen adres voor zijn dochter. Maar toen Giny kennismaakte met Sipkje Flier, die al vijf maanden zwanger was, besloot zij het verbod van haar vader te trotseren. De man was weg, dus wat kon haar gebeuren? Ze nam de betrekking aan. Later dacht zij nog met plezier terug aan haar contact met de familie Flier.


Giny de Graaf voelde in die tijd wel dat er wat bijzonders gaande was bij de familie Flier, maar wist niet waar het precies om draaide. Ze deed haar werk en praatte verder nergens over. Toos Flier heeft Giny later wel eens gevraagd hoe zij het toen vond dat Toos ’s avonds laat in het stikdonker nog weg ging en pas veel later weer terugkwam. Giny achteraf: “Dat vond ik wel vreemd, maar ik heb er nooit iets van gezegd. Ik wilde daar geen weet van hebben, want wie niks weet kan ook niks vertellen”.

De SD bleef ook in het pas begonnen jaar 1945 op de familie Flier loeren. Toen mevrouw Flier, op 24 januari bevallen van zoon Koos, nog in het kraambed lag, volgde er andermaal een grondige huiszoeking. Alles werd weer overhoop gehaald en er werd minutieus gezocht naar de schuilplaats, waarvan ze vermoedden dat die er moest zijn. Een van de zwart geüniformeerden was druk bezig in de kraamkamer, gadegeslagen door de vrouw des huizes en de baker, die in Emmen bekend stond als ‘Tante Wip’. Toen de man even pauzeerde, keek tante Wip hem aan en zei toen: “Och, wat is’t toch wat, aj zo de kost moet verdien’n …”

Er werd weer niets gevonden, maar zes weken was het wel raak. Er was groot alarm. Op 7 maart omsingelde een grote SD-macht, bijgestaan door landwachters, het hele gebied rond het dierenpark, dat grondig werd doorzocht.

Ook werden er invallen gedaan bij Flier en de familie Noorlag.

Toos Flier en Giny de Graaf waren er als enigen getuige van dat de overvallers nu wel de schuilplaats vonden. In het huis aan de Kerkhoflaan werd Wilko Noorlag gearresteerd, naar Assen overbracht, verhoord, gefolterd (maar hij zweeg) en in het Huis van Bewaring opgesloten. Ook de dokters Hospers en Van Zanten opgepakt en naar Assen getransporteerd. 


Kort voordat de dokters Hospers en Van Zanten werden opgepakt en naar Assen getransporteerd, was het joodse meisje Willy in Nieuw-Dordrecht na verraad gearresteerd. De brute verhoormethoden hadden haar doen doorslaan. Ze liet los waar ze ondergedoken had gezeten.

Sipkje Flier in 1989: ‘Dat hebben we haar nooit kwalijk genomen. De verhoormethoden van die SD-ers waren onmenselijk.’ 

Eindelijk kwamen de nazi’s er dus achter dat ze enorm om de tuin waren geleid. Maar het echtpaar Flier hebben ze niet kunnen pakken, want mevrouw Flier was toevallig niet thuis toen ze het huis overvielen en kon tijdig worden gewaarschuwd. Toos mocht ervaren dat het grote voordelen heeft er heel jong uit te zien. Toen de schuilplaats onder de badkamer werd open gelegd, werden zij en Giny weggestuurd.

Een paar dagen na de razzia vertrok Leendert Flier uit de dierentuin. Het was te gevaarlijk daar te blijven. Er zou nog ingrijpender worden gezocht. Als postbode verkleed ontsnapte hij naar een nieuw duikadres. Ver weg? Nee. Hij bleef in zijn eigen straat, maar een stukje verderop. De houthandelaar Koster was bereid hem onderdak te verschaffen, ondanks het feit dat men een notoire NSB-familie als buren had. Het klinkt als verzonnen als verhaald wordt dat een maand later de NSB-buurman, terwijl de bevrijding voor de deur stond, de Kosters vroeg of zij hem wilden verbergen, bang als hij was voor de te vrezen ‘bijltjesdag’ …

De bevrijding bracht de familie Flier weer bijeen.

Voor dokter Hospers en Wilko Noorlag was de terugkeer een wonder, want zij stonden op de nominatie in Assen te worden gefusilleerd. Dankzij een betrouwbare Duitse relatie kon er op het laatste nippertje voor dokter Hospers een vrijkooptransactie worden afgesloten. Een aantal van zijn medegevangenen werd een paar dagen voor de bevrijding bij het Asserbos ter dood gebracht. Onderduikers Henk en Han haalden de bevrijding, evenals hun patiënt Schoon.

Ook het joodse meisje Willy overleefde de oorlog. Zij werd na verhoor in Assen naar Westerbork overgebracht, maar doordat de treinen niet meer reden, ontkwam zij aan deportatie naar Duitsland.


Leendert Flier dacht zich direct na de bevrijding van Emmen verdienstelijk te kunnen maken door als BS’er mee te werken op het bureau van de BS in het overgenomen NSB-bastion Hotel Postma.

Maar er was nog geen week verstreken of hij kwam op een dag thuis en rukte de oranje band van zijn arm. “Die wil ik niet langer om hebben”, zei hij. “Ik stop er mee. Daar lopen kerels rond die fout zijn geweest en lui die het minste gedaan hebben onder de Duitsers, maar nu de grootste bekken hebben!”

Hij hield woord.

Flier worstelde zich weer in het normale burgerleven en sprak nauwelijks meer over de oorlogsjaren. Die waren voor hem verleden tijd. Er was gedaan wat gedaan moest worden en daarmee hield het op. Voelde hij zich een held? Geenszins.

Voelde zijn moedige vrouw zich een heldin? Bijna een halve eeuw na de bevrijding zei Sipkje Flier: “Wat voor zin heeft het nog om over die tijd te praten? Waren wij helden? Welnee. Wat we deden overkwam ons gewoon en toen we er eenmaal in zaten, gingen we gewoon door. Eigenlijk dachten we niet aan de grote gevaren waaraan we waren blootgesteld. Er moesten mensen geholpen worden en we hielpen. Is dat een verdienste?”

Toos Flier, de jonge koerierster van toen: “Het gebeurde allemaal en je deed het gewoon. Als jong meisje, een kind eigenlijk nog, maakte je volop deel uit van de wereld van de volwassenen. Je was groot. Toen na de oorlog het gewone leven weer begon en je voor de buitenwereld weer net zo jong was als je leeftijd aangaf, kon je daar toch niet helemaal aan wennen. Er was te veel gepasseerd. Later heb ik vaak gedacht, eigenlijk heb je geen echte jeugd gehad. Die jaren heb je gemist en ze waren nooit meer in te halen. En dat gevoel bleef.

Zou Sipkje Flier-Duba, wetende wat haar is overkomen, weer doen wat ze toen deed als zich weer zo’n situatie zou voordoen? "Als er mensen bij je komen die in nood zitten, wat moet je dan doen? Die moet je helpen. Ja, die help je. Dus ik geloof dat we er gewoon weer in zouden rollen. Ja, dat denk ik.”

De hoofdpersonen uit deze geschiedenis, Leendert Jacob Flier, zijn echtgenote Sipkje, dochter Toos en Siem Schoon, die na de oorlog vele jaren belangrijk werk deed voor de Stichting 40’-45’, zijn inmiddels overleden.

De beruchte Jan Lamberts, wachtmeester bij de politie in Assen, maar als SD-er ondergebracht bij de Dienststelle Assen van de SD, kreeg in 1948 voor zijn terreurdaden de doodstraf, die op 16 november 1949 in Groningen werd voltrokken. Hij was toen 31 jaar.

De andere genoemde Drentse SD-er Henderik Cornelis Jan Lammerse (die 23 was in 1944) werd in hetzelfde proces voor het Bijzonder Gerechtshof in Assen ook ter dood veroordeeld, maar hij kreeg gratie.

Beiden maakten in het laatste oorlogsjaar deel uit van de zogenaamde Bloedploeg van Norg, een aantal landverraders dat een ware terreur uitoefende tegen het verzet en gevangen genomen verzetsstrijders in een villa in Norg de gruwelijkste martelingen deed ondergaan. Berucht was de ‘behandeling’ in de badkuip. Door de gevangenen bij herhaling tot verdrinken toe onder te dompelen trachtten zij hen te laten doorslaan, niet altijd zonder succes.


Bronvermelding: Omhoog

  • Bezet en Verzet 1940-1945 door Jan Hof. De wonderbaarlijke redding van een Drentse KP-man

 

Wie helpt? Omhoog

 

Klik hier om een e-mail aan Historisch Emmen te versturen Historisch Emmen zoekt altijd naar informatie.
Foto's, kranten, artikelen, advertenties, knipsels, stambomen, genealogie, alles is welkom.
Na digitalisering ontvangt u alles retour.
Help mee Historisch Emmen beter en vollediger te maken.