dot Home - start
dot Prehistorie - Archeologie
dot Historie
dot Bewoning per erf
dot Bewoning per jaar

dot Alle straatnamen





dot Laatste wijzigingen
Stuur een e-mail aan Historisch Emmen
Vanwege een storing kunt u tijdelijk geen email verzenden

Logo Pre-Historisch Emmen

Oudste vermelding Emmen 1139


Hunebedden in Emmen

5000 jaar geleden, Hunebedbouwers: Omhoog


Johan Picardt: steenhopen.

Door de aanwezigheid van hunebedden in de gemeente Emmen is bekend dat hier 5000 jaar geleden ook mensen hebben geleefd.

Romeinse verkenners die ongeveer 2000 jaar geleden in onze omgeving op ontdekkingstocht waren dachten dat de zware stenen van de hunebedden alleen maar vervoerd konden zijn door de sterke Hercules, een door de oude Grieken en Romeinen zeer vereerde krachtpatser.

De Drentse predikant Johan Picardt schreef in 1660 over hunebedden. Hij bedoelde daar echter niet de tegenwoordige hunebedden mee, maar grafheuvels. Hunebedden noemde hij "steenhopen". Bron: Johan Picardt, Korte Beschryvinge van eenige vergetene en verborgene Antiquiteten 1660, verzameling J.J.Brands.

De eerste die in ons land een megalithisch graf als hunebed aanduidde was Titia Brongersma in 1685.

Hunebedden zijn tussen 3400 v.Chr. en 2900 v.Chr. gebouwd in het tijdperk Neolithicum, ook wel de Nieuwe Steentijd genoemd. Het was een periode waarin stenen werktuigen, zoals bijlen en maalstenen, werden gebruikt door de mensen van de "Trechterbekercultuur" en waarin het aardewerk haar intrede deed. Deze mensen waren de eerste boeren in ons land die op n plek bleven wonen. Tot deze tijd trok de bevolking van plek naar plek achter het wild aan. In deze nieuwe periode ging de bevolking zelf beesten fokken en leefden i.p.v. de jacht meer van de landbouw, vooral graan.

Het veen was voor hen onbewoonbaar maar de Hondsrug was hoger (en droger) gelegen en dat was een bepalende reden waarom de prehistorische mens hier ging wonen.

Wat men nu nog van een hunebed ziet, is slechts het skelet. Oorspronkelijk lag er een grote heuvel over. De openingen tussen de grote stenen werden dichtgestopt met kleinere keien, de stopstenen. De heuvel is door o.a. weersinvloeden verdwenen en de stopstenen zijn er tussenuit gevallen. Vaak werd een hunebed zelf ook nog eens gebouwd op een heuvel. Dit is nog goed te zien bij hunebed D45 in de Emmerdennen.

De grote zwerfstenen die werden gebruikt voor de bouw van een hunebed zijn tijdens de voorlaatste ijstijd, 180.000-130.000 jaar geleden, met het landijs naar deze streken geschoven. De stenen werden uitgegraven en verplaatst naar de plek waar de grafkelder moest komen.

De vloer van een hunebed bestond voornamelijk uit granietgruis en kleine keien. De vloer stond vol met potten die de dode mee kreeg. Vermoedelijk bevatten deze potten voedsel voor de lange reis. Men heeft er geen crematieresten in gevonden waardoor het geen urnen zijn. Raakte de vloer vol dan legde men er een nieuwe vloer over en men kon weer een nieuwe laag met potten plaatsen. Er zijn hunebedden waar meer dan honderd potten in gevonden zijn. Wel vond er secundaire verbranding plaats. Was een hunebed vol, dan werden de restanten wel in een hoek van de grafkamer verbrand. Dit vond ook plaats buiten het hunebed zoals is aangetroffen bij het langgraf D43.

Als wordt aangenomen dat bij elk hunebed een nederzetting hoorde, dan is daarmee bekend waar deze nederzettingen in het Neolithicum lagen. Dat er soms vele potten zijn gevonden betekent niet automatisch dat het om grote nederzettingen zou gaan omdat hunebedden eeuwenlang in gebruik zijn geweest. Enerzijds kreeg elke overledene gemiddeld vijf potten of kommen mee, anderzijds werd kennelijk niet iedere overledene bijgezet. Niet alle potten zijn bewaard gebleven. Door al deze factoren is het aantal bewoners van een nederzetting niet in te schatten.

Er wordt gedacht dat hunebedden, naast de functie van grafkelder, ook sociale of rituele functies hadden of zelfs wel dienden om een territorium aan te geven.


Verdwenen hunebedden: Omhoog

Drenthe telde ooit ongeveer honderd hunebedden. Daar zijn er nog 52 van over, waarvan 10 in de gemeente Emmen, de andere 48 zijn verdwenen.

In de vorige eeuwen zijn er veel hunebedden gesloopt. De stenen werden namelijk nog al eens als bouwmateriaal gebruikt, bijvoorbeeld bij de kerktoren in het centrum van Emmen.

In 1734 werd er voor het eerst een verordening opgesteld om de hunebedden te beschermen:

"Alzo wij in gewisse ervaringe zijn gekomen, dat op veele plaatsen in deze landschap, in het verkopen en wegvoeren van veldstenen, merkelyke excessen worden begaan, niet alleen door de markgenoten selfs, maar ook door de meyeren en andere gedisqualificeerde ingesetenen, met te verkopen en doen removeren van markstenen, voordestenen en andere scheidstenen, ja selfs ook van de soogenaamde Hunebedden, die, allenthalven, als waardige monumenten en van ouds beroemde gedenktekenen, behoorden geconserveert te worden: so is 't dat wy, mits dezen, wel ernstelyk intercideren en verbieden aan alle en een iegelyk, om eenige scheidstenen, mitsgaders de stenen van de sogenaamde Hunebedden, te mogen verkopen, removeren of vervoeren, bij de poene van hondert goltguldens t' eIken reyse te verbeuren boven de waardye van de verkofte of weggevoerde stenen."

Veel keiendelvers stoorden zich er echter niet aan en gingen gewoon door met hun sloop werkzaamheden. Dit blijkt o.a. uit een reisverslag van Harm Boom uit 1868 welke door Ger de Leeuw is weergegeven in "Rondom de Heerenhof":

"Regts van mij liep de kunstweg over Emmen naar Dalen, Hoogeveen en Coevorden, oostwaarts lagen de uitgestrekte veenen en links, onmiddellijk aan de brug palende, het gehucht Noord-Barge, onder de schaduw van eikengeboomte. Aan den oever van het kanaal, dat zich tot aan Zuid-Barge uitstrekt en sterft aan den ingang van het onmetelijk turf paradijs, lagen miljoenen ponden keisteen opeengestapeld, wachtende op gelegenheid om naar onze zeeweringen vervoerd of onder de slagen van den hamer verbrijzeld te worden, ten einde dan onze wegen te bevloeren."

In de 18e en 19de eeuw werden veel keien verkocht aan het westen van het land. Toen "vrat" de paalworm het hout op dat in die tijd veel gebruikt werd om dijken en beschoeiingen van te maken. Ook oudheidkundige Andries Schoemaker (1660-1735) schreef hierover tijdens zijn reis door Zuidwest Drenthe in 1732. Bron: A.E.van Giffen, De hunebedden in Nederland, 1925.

't Heeft de Heere des Hemels en der aarde behaagt om de geunieerde Nederlanden (wegens haar hooggaande sonden en ongeregtigheden) met een seer bedroefde quale te besoecken: namelijk een soort van gewormte die niet allenig de schepen door knagen: maar wel insonderhijt het paalwerk dat aan de deycken staat: dat door dat gedierte door knaagt word tot aan de grond toe waar door dan de paalen afgeknaagt zijnde daar heen vallen en den dijk gevaar loopt om bij stormwinden en hooge vloeden in te breken: waar door het land dat doorgaans in Holland: Zeland: en Vriesland: door de deyken bewaart word: ten eene maal soude kunnen onder water loopen gelijk wj daar van de droevige gevolgen voor onse tijt: soo selfs meer als eens gesien hebben en noch sien dat de beylemer meer tussen Amsteldam en Weesp nog onder water lijt.

Om was het mogelijk nu dese toetale Ruine deser landen voor te komen soo hebben haar hoogmogende de Heere staten van Holland: nevens de andere staten haare bontgenoten een bede dagh doen uytschrijven: om was 't mogelijk Godt almagtig te bidden dat het sijn vaderlijke en seer goedertierende hand mogte geliven de plagen: en straffe: schoon die wel verdient waren van den landen te wenden: en de selve landen in sijn Genadige bescherming aan te nemen en te behoeden. Ten andere hebben se ook na menschelijke middelen omgesien en een premie belooft aan den Gene die iets wist uyt te vinden dat tot wering mocht dienen om dit gewormpte te stuyten soo sijn er al verschijde opgekomen die meenden een middel gevonden te hebben om het quaat te weeren doende de niwe paalen die er soo ver in geslagen wierden met een sekere harde stof bestrijken soo verre als die in 't water stonden waar men heeft bevonden dat het gewormpte die van verschijde soorten sijn dat echter in een seer korten tijt hebben doorknaagt en ten eene maal te niet gegaan soo heeft onder andere Pieter Straat burgemeester te Boven-Karpsel en hoofdingeland nevens zijn Confrater een boekje uyt gegeven in de welke een middel werd aan de hand gegeven om niet alleen het quaat van 't gewormte te boven te komen maar ook de dijken bestandiger te maken het boekje is in 't jaar 1735 voor de twede maal gedrukt bij Johannes Oosterwijk op den dam: hier in werd sonne klaar aan, getoont en een middel aan de hand gegeven om (onder Godes segen) dit quaat te stuyten 't welk is om voor de dijken al gloyende steenen te werpen van een groote zwaarte, dit is werkstellig gemaakt: en den bovengenoemde Pieter Straat heeft mijn mondeling gesegt: en getoont dat dit een seer goede uytwerking is geweest aan de Geldersche dijk tusschen Enkhuysen en Medenblik daar de dijk maar swack en qualijk gestelt was. Daar op heeft men bezig geweest om uyt alle Gewesten steen bij den andere te krijgen om die te gebruyken: dat wel goeth was maar, seer langsaam voort gong: soo heeft het God behaagt dat men in ons eygeland daar men geen gedachte op had: een groote meenigte van steen in de aarde ondeckte in het land van Drent en voor eerst in sonderheyt omtrent Havelte: om nu daar van de waarhijt te weten: soo hebbe ik versocht aan J.Dannenberg wonende tot Meppelen twee uurtjes van Havelte: die mijn dat antwoord: onse heeren hebben verboden om niet te verkopen de soogenaamde hunebedden en de groote antiquitijt steenen, maar de andere steenen wel die in meenigte uytgevoert worden en van een verbaasde groote sijn en nu ondeckt worden en in de grond leggen, ik ging voor leden vrijdagh na Dieveren en sag toen in een moerassig veentyen een steen die opgegraven wierd: en was soo ver als men hem sien konde: al 17 voeten over sijn kruys die sol bemoelijk wesen daar van daan te krijgen: de wijl de wegh bijna ontoegankelijk was: ik ben daar met veel moeyte en gevaar bij geweest. Hier sijn al (steenen) laten springen daar 136 wagenvragten sijn afgevoert en sit noch veel aan de grond etc,

"Was gedateert 16 April 1735, getekent J.Dannebergh."

Stenen waren een goed alternatief en die lagen er in Drenthe genoeg. Veel mensen gingen naarstig op zoek naar stenen omdat de verkoop er van een aardige bijverdienste opleverde. Een hunebed hoefden ze niet te zoeken. De stopstenen tussen de staanders - maar ook andere hunebedstenen - werden fijn geklopt door de ijverige Drentse winterarbeiders. In "Rondom de Heerenhof" merkt G. de Leeuw over deze klopperij op, dat er 's winters toch weinig te doen was rondom de boerderij.

De grote stenen van hunebedden waren te groot en zwaar om te vervoeren. Vlak naast elkaar werden gaten geboord waarin springstof tot ontploffing werd gebracht. De steen spatte in een groot aantal kleine stukken uiteen.

Pas in de twintigste eeuw werd beter op de bescherming van (de overgebleven) hunebedden toegezien.


Hunebed D37a Omhoog

Niet meer bestaand, lag bij Weerdinge in het Valtherbos.

  • In 1837 opgegraven door J.Kouwens De Sille (van beroep controleur te Emmen). Uit onderzoek van Van Giffen in 1925 bleek dat het nadien totaal is vernield. In 1933 nogmaals door J.N.Lanting onderzocht.

Hunebed D43a Omhoog

Niet meer bestaand, lag op de Schimmeres.

  • Dit hunebed werd in 1918 door L.Willinge voor het eerst beschreven. In 1847 werd het hunebed nog bestudeerd door L.J.F.Janssen. Dit niet meer bestaande hunebed lag ten zuiden van het bekende langgraf D43 en is vermoedelijk tussen 1869 en 1871 gesloopt. Men denkt dat de stenen zijn gebruikt voor de restauratie van het langgraf D43 in 1869. Door de aantekeningen van Janssen is bekend dat het hunebed tijdens zijn onderzoek bestond uit drie zijstenen, twee dekstenen en n sluitsteen. Er werden drie complete potten gevonden en enkele scherven. In 1968 werd de plaats herontdekt door J.E. Musch en werd het in 1984 wederom aan een onderzoek onderworpen. J.N. Lanting vond toen nog 5500 scherven, waardoor 114 potten konden worden gereconstrueerd. Daarvan werden weer 89 potten toegekend aan de Trechterbekercultuur.


Bronvermelding: Omhoog

  • Gerrie van der Veen (die een deel van deze tekst oorspronkelijk heeft gepubliceerd).
  • De Standaard 22 april 1996.
  • De Telegraaf 11 juli 1997.
  • "De eerste Nederlandse Hunebeddengids" door Frits Bom. Uitgave Ankh-Hermes bv te Deventer. ISBN 90-202-5407-3.
  • "Hunebedden monumenten van een Steentijdcultuur" door Evert van Ginkel, Sake Jager, en Wijnand van der Sanden.
    Uitgave Uniepers te Abcoude. ISBN 90-68 25 3336.
  • Drentse Courant 21 juli 2001.
  • "Reuvens in Drenthe", door J.A.Brongers. Uitgave ROB. ISBN 90-228-3925-7.
  • "In de bodem van Drenthe" onder redactie van M.Rappol. Uitgave Lingua Terra 1992. ISBN 90.74417.01.9.
 
Neemt u tekst over? Vermeldt u dan ook de bron? (www.historisch-emmen.nl) Dank!